Column

Het vertrouwensgat beneden de rivieren

We vertrouwen er weer een beetje meer op. Het centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam gisteren met het nieuws dat het consumentenvertrouwen de afgelopen amand is gestegen van minus 40 tot minus 32. Dat wil zeggen dat van elke honderd ondervraagde respondenten er per saldo 32 meer negatieve antwoorden gaven, op vragen over de economie en koopgedrag, dan positieve antwoorden.

In werkelijkheid moet de stemming iets minder erg zijn: het gemiddelde vertrouwenscijfer bedraagt, sinds in 1986 met maandelijkse reeksen over het consumentenvertrouwen werd begonnen, minus 5,5. Onze ‘neutrale stand’ is kennelijk al licht negatief.

Dat leidt tot een interessante vraag: is die neutrale stand in elk land hetzelfde, of zijn er verschillen? Zijn landen van nature optimistischer of pessimistischer? Het antwoord is: ja.

Dat kan eenvoudig worden getest met de statistieken van Eurostat, dat een eenvormige methode op elk EU-landen toepast. We nemen hier de meest onthullende deelvraag van het consumentenvertrouwen: de mening over de economie in de eerstvolgende twaalf maanden.

Eurostat houdt dit al sinds 1986 bij, maar niet voor alle landen. vanaf 1999 zijn de statistieken min of meer compleet. We nemen de periode 1999, vanaf de invoering van de euro, tot de herfst van 2008, toen het Lehman-moment een periode van ongekende crisis inluidde. Tot dan toe was er geen vuiltje aan de lucht. De zuidelijke EU-landen deden het uitstekend, de noordelijke landen krabbelden een beetje rond.

Maar wat blijkt: juist in het noorden was het consumentenvertrouwen toch structureel hoger dan in het zuiden (en in voormalige communistische landen). Dat effect beperkt zich niet tot deze periode. Ook vanaf 1986, 1996, welk beginjaar je ook neemt: Scandinavische landen scoren hoog, Nederland ook, de Duitsers zijn iets grimmiger, Angelsaksische landen relatief optimistisch. En hoe zuidelijker je vervolgens gaat, hoe neerslachtiger het wordt.

Na de herfst van 2008 worden de bestaande verschillen nóg groter, maar daar verstoort de eurocrisis het beeld.

Waar komen die structurele verschillen in consumentenvertrouwen vandaan? Slaan ze op een algemeen gevoel van vertrouwen en veiligheid? Op een nationaal humeur, of op mobiliteit, kansen en zelfontplooiing? Zijn ze religieus (protestant versus katholiek) van oorsprong? Hebben ze te maken met de visie op de rol van de staat? Kun je eigenlijk wel een muntunie beginnen met zulke culturele verschillen?

Nog één raadsel, dat onmiddellijk opkwam toen het bijstaande lijstje in het spreadsheet naar voren sprong. Het lijkt bijna als twee druppels water op een soortgelijk lijstje van de relatieve overheidsuitgaven aan ontwikkelingshulp. Dat moet wel wat zeggen, denk je dan.