En zo werd het Rijksmuseum weer katholiek

Die bonte panelen op de muren van het Rijksmuseum stemmen tot nadenken. Komt de kunst nog tot haar recht, vraagt Ger Groot.

Prachtig is het nieuwe interieur van het Rijksmuseum Amsterdam eruit komen te zien, of liever: het oude, in al zijn luister herstelde interieur. Deze week verschenen de foto’s ervan in deze krant. Je houdt je adem in bij zoveel decoratieve rijkdom. Toch blijven mijn gevoelens gemengd. Komen – zo vraagt de twintigste-eeuwer in mij zich af – in zo’n omgeving de kunstwerken zélf nog wel tot hun recht? Trekt het gebouw de aandacht niet te dwingend naar zichzelf toe?

Omstreden was het museumontwerp van Pierre Cuypers van begin af aan. Het was veel te gotisch, vonden zijn tijdgenoten, en dus veel te katholiek. Cuypers had de Hollandse steden volgebouwd met triomfalistische kerken – talrijker en opdringeriger dan de schaarse moskeeën waaraan sommigen zich nu storen. De gotische vormen waren het onmiskenbare teken van een roomse geest die in veler nachtmerries het vaderland al aan het overrompelen was.

Daarom zouden de muurschilderingen van het Rijksmuseum in de loop van de vorige eeuw ten offer zijn gevallen aan de witkwast. Calvijn liet zich niet zo gemakkelijk verdringen van de plaatsen waarop de natie zich toonde. Wat een verkapte kathedraal was geweest, werd vanzelf een kerk van Saenredam: naakt en eenvoudig, ontdaan van alle decoratie, de ‘gesneden beelden’ onzichtbaar gemaakt onder de neutraalst mogelijke kleur.

Toch zal het nationaal-religieuze sentiment niet als enige hiervoor verantwoordelijk zijn geweest. Bonte overdaad die het oog geen moment rust gunt, heeft al eeuwenlang niet zo’n goede pers. De negentiende eeuw haalde haar met haar neostijlen opnieuw binnen, maar ook toen gold dit al als een teruggang in de tijd. Voor katholieken lag de toekomst nu eenmaal in de Middeleeuwen – de tijd waarin zij de dienst uitmaakten.

Het bleek, esthetisch gezien, een achterhoedegevecht. Zelfs in katholieke landen kwamen in de eeuwenoude kathedralen de bonte kleuren niet terug waarmee ze ooit versierd waren geweest. Ook daar heeft Saenredam – zij het veelal in grijze steen – uiteindelijk het pleit gewonnen. Terwijl de middeleeuwse geest het hele universum met ornamenten en tekens wilde overdekken, richtte de moderne sensibiliteit zich op één beeld dat de volledige aandacht verdiende. Hiertoe moest de hele omgeving worden geneutraliseerd. Aan Saenredams muren is één schilderstuk plotseling een sensatie.

Dit wortelt ongetwijfeld in het verschil tussen katholieke en protestantse spiritualiteit. Terwijl de eerste de wereld van goddelijke tekens doortrokken wilde zien, benadrukte de tweede vooral het verschil tussen hemel en aarde. Dit moest zichtbaar worden in één sublieme, allesoverheersende verwijzing. Toen de kunst zich van de godsdienst emancipeerde, bleef ze deze gedachte trouw. Ze voegde zich niet in in de wereld en kreeg een bijzondere plaats, die vraagt om een passende omgeving. Het neutrale wit was hiervoor ideaal.

Ik weet niet of Cuypers dit heeft kunnen voorzien. Tot in de twintigste eeuw bleef de oude gewoonte van het opstapelen van kunst en kunstwerken gangbaar – niks geen eerbiedige leegte rond het unieke schilderij. Bij de Amerikaanse verzamelaar Albert C. Barnes hingen de meesterwerken hutjemutje naast en boven elkaar, zo toonde deze krant vorige week nog. In het nieuwe museum dat in Philadelphia voor zijn collectie is gebouwd, is deze overdaad nauwkeurig gehandhaafd.

Toch willen we er niet meer aan. De godsdienst is verdwenen. Het kunstwerk is een nieuw sacrament geworden, in protestantse geest. Deze vraagt om een afzondering waarin verering opbloeit en de aandacht wordt geconcentreerd op het unieke.

Als het overwitten van Cuypers’ muurschilderingen een gebaar was van protestantse afkeer jegens alles wat katholiek was, kan deze afkeer niet alleen de inhoud van de aanstootgevende afbeeldingen hebben gegolden. Voor het moderne kunstbesef moet het minstens zo problematisch zijn geweest dat er überhaupt vormen en afbeeldingen waren die van de weeromstuit wedijverden met de vaderlandse meesters. Die kunst maakten tot een deel van een wereld vol beelden en betekenissen in plaats van een uitzonderlijke manifestatie van het ene Ware.

Zo denken wij over kunst nog altijd. Hieraan heeft geen postmodernisme, pop-art of designkunst iets kunnen veranderen. Kunst vraagt de hoogste aandacht en verdraagt geen visuele concurrentie. Het moderne museum is zo neutraal mogelijk.

Zo is de renovatie van het Rijksmuseum nóg provocerender geworden dan ze al leek. Opnieuw dwingt het gebouw tot nadenken: over wat wij vinden van kunst, van haar plaats in de wereld en dus van de wereld in het algemeen, over hoe modern wij (willen) zijn of – volgens sommigen – nooit zijn geweest en over de sacralisering van het beeld en de gelijktijdige banalisering ervan, nu de wereld wordt overspoeld door een beeldenvloed die de katholieke Middeleeuwen met verbijstering zou hebben geslagen. Wie zich van dit laatste wil overtuigen, kan in het Bredase MOTI Museum terecht voor de expositie Rollercoaster. Wie wil zien hoe dit in de negentiende eeuw al kon schokken, moet wachten tot het Rijksmuseum eindelijk weer opengaat.

Ger Groot is filosoof en publicist.