Een zwarte roos

De man van Rascha Peper wil geen geborduurd wit anker op zijn jasje. Wanneer donkerblauwe vulpeninkt geen soelaas biedt, grijpt ze naar drastischer middelen.

Illustratie Annemarie van Haeringen

Mijn man haat winkelen en is er zelden toe te bewegen nieuwe kleren te kopen. Alles wat hij heeft ‘is nog prima’. Maar nu is er iets bijzonders aan de hand: hij heeft in een modieuze herenmodezaak het perfecte donkerblauwe, linnen zomerjasje gezien. Helaas valt aanschaf niet te overwegen, verneem ik, want het jasje heeft één onoverkomelijk minpunt: op het borstzakje zit een wit anker geborduurd, en hij wil nog niet dood aangetroffen worden in een jasje met een anker.

Bij zo’n kwestie word ik overvallen door een fanatisme een ernstiger zaak waardig. Dat anker kan er toch af?! Daar vind ik wel wat op! En dus ga ik mee kijken in de winkel. Puik jasje inderdaad. Het stiksel waarmee het anker erop zit is wel erg solide – aftornen zal niet makkelijk gaan – maar ik ben niet voor één gat te vangen.

„Weet je wat ik doe? Ik druppel vulpeninkt op dat anker! Dan zie je er niets meer van!” roep ik strijdlustig.

De verkoper grijpt bezorgd naar zijn kin en mijn man twijfelt ook, maar ik weet het zeker, en het jasje wordt gekocht.

Thuis ga ik meteen aan de slag. Ik prop het borstzakje vol papieren zakdoekjes en begin een vulling donkerblauwe inkt leeg te knijpen boven het borduursel. Het anker kleurt lila. Nog een vulling. Het blijft lila, ook na droging. Grimmig neem ik nu zwarte inkt. Het anker wordt vuil lila. Het garen is van een kunststof dat amper inkt absorbeert, hoeveel vullingen ik er ook aan verspil. Er zit niets anders op dan toch de schaar in het stiksel te zetten.

Dat lukt niet. Dan maar een scheermesje. Een uur later is duidelijk dat er, wil dit jasje ooit nog draagbaar zijn, slechts één poging tot redding overblijft: iets anders op de plaats van het anker aanbrengen.

De volgende dag fiets ik naar Jan de Grote Kleinvakman, een fourniturenwinkel op de Albert Cuyp, die een begrip is in Amsterdam; zo er ergens een keur aan applicaties te krijgen valt, dan daar wel. Maar dat valt tegen. Ja, voor kleuters, voor tienjarige meisjes, voor op avondjaponnen, voor voetbalsupporters, voor zeilsporters (volop ankers), voor gothics en voor poezenliefhebbers. Voor de serieuze, oudere man blijkt op dit gebied een gat in de markt te bestaan. Uiteindelijk kies ik het enig acceptabele dat voorhanden is: een zwarte roos. Die heeft nog wel iets elegants, tijd-, merk- en imagoloos en iets mysterieus.

Het kost me een hele avond de roos er met piepkleine steekjes op te krijgen.

Sindsdien draagt mijn man zijn nieuwe jasje naar tevredenheid. Maar er is iets waar ik geen rekening mee gehouden heb. Opvallend veel mensen staren naar zijn borstzakje en vragen halverwege het gesprek: „Wat betekent die roos?” of „Wat is dat voor jasje?”

„Ik ben van de Orde van de Zwarte Roos”, zegt hij dan.

Laat het stalen gezicht maar aan hem over.

Ook opvallend is hoeveel van die vragers daarop argeloos ‘O’ zeggen.