Een verscheurd, gespleten mens

Anton Bruckner was een wereldvreemd en diep gelovig man, verzonken in zijn werk. Dat cliché wankelt nu. Hij was ook een fervent netwerker.

Opwindende tijden voor bewonderaars van Bruckner. Zijn grootse zwanenzang, de onvoltooide Negende symfonie, heeft er plotseling een deel bij gekregen – in de vierdelige versie die dirigent Simon Rattle onlangs het licht deed zien in een opname met de Berliner Philarmoniker. Die voltooide versie, gebaseerd op de schetsen die Bruckner achterliet, is een werkstuk van een team van musicologen, en niet de eerste poging om Bruckners werk af te maken. Maar niet eerder verbond een dirigent met de faam van Rattle én een orkest met de uitstraling van de Berliner zich met een dergelijk project.

Rattle bewees eerder met zijn pionierswerk voor de ‘performance version’ van de eveneens onvoltooid gebleven Tiende symfonie van Mahler hoe ver zijn invloed strekt. Die symfonie is inmiddels vast onderdeel van het repertoire. Zoiets zou nu ook heel goed met Bruckners Negende kunnen gebeuren. Geen alledaagse gebeurtenis, deze Negende. En dan ligt er ook nog een nieuwe, zeer omvangrijke biografie van de componist in de winkel, geschreven door de grote Bruckner-expert Cornelis van Zwol, die zich al bijna zestig jaar met de Oostenrijkse componist bezighoudt. Anton Bruckner 1824-1896. Leven en werken is niet echt een biografie. Het boek houdt het midden tussen biografie, kroniek, naslagwerk, bronnenpublicatie én autobiografie.

Zelden een biografie gezien die zoveel afbeeldingen van de biograaf zelf bevat: de auteur met de grote Bruckner-dirigent Bernard Haitink, de auteur met nazaten van Bruckner, de auteur met de fameuze Bruckner-specialist Leopold Nowak. Aan interpretaties, laat staan verklaringen doet de auteur niet of nauwelijks. Van Zwol presenteert bronnen, liefst zo volledig mogelijk, en reconstrueert uiterst precies Bruckners levensloop. De conclusies – what made Bruckner run? – moet de lezer zelf trekken.

Jammer, want zo blijft het gissen naar het oordeel van Van Zwol over tal van kwesties die Bruckner-onderzoekers verdeeld houden. Het traditionele Brucknerbeeld is dat van een wereldvreemde man, die zijn muziek geheel was toegedaan, een diep religieus mens, die zich als een vreemdeling door de metropool Wenen bewoog, waar hij de tweede helft van zijn leven doorbracht. Daar werd hij gemangeld in de felle strijd tussen de conservatieve aanhang van Brahms (voorop muziekcriticus Hanslick) en de nieuwlichters die zich groepeerden rond Wagner en Liszt.

Dat beeld komt niet uit de lucht vallen en is ook niet onjuist. Maar er is meer. Gezien zijn levenslange gewoonte om weldoeners en collega’s uitgebreid de handen te kussen en om kruiperige brieven te schrijven wist Bruckner zeer wel wat hem te doen stond om vooruit te komen in de wereld. Talloos zijn de brieven die Van Zwol aanhaalt, waarin Bruckner zijn contacten gebruikt om stukjes in de krant te krijgen over zijn werk, vaak met succes. Bruckner begreep ook goed dat de weg naar succes via Duitsland liep en niet in Wenen zelf te verwachten was. Zijn stadsgenoot Mahler zou later dezelfde strategie hanteren. Mahler had het geluk dat hij een geniaal dirigent was, ook van zijn eigen werk. Bruckner was als dirigent van zijn eigen werk ronduit onbeholpen en daarom afhankelijk van anderen. Hij moest er lang op wachten, maar de grote dirigenten die zich over zijn werk ontfermden kwamen.

Meestal wordt de première van de Zevende symfonie in Leipzig in 1887 onder Arthur Nikisch aangehaald als keerpunt in Bruckners lotgevallen. Maar Van Zwol laat zien dat geen musicus meer voor Bruckner heeft betekend dan de Joodse dirigent Herman Levi, de eerste dirigent van Wagners Parsifal. Niet alleen met wat hij voor Bruckner heeft betekend, maar ook door wat hij naliet. Met pijn in het hart weigerde Levi de première van de Achtste symfonie te dirigeren, omdat hij niet warmliep voor dit grote werk, dat nu als het hoogtepunt van Bruckners oeuvre geldt. Dat leidde tot een lange periode, waarin Bruckner niet alleen zijn Achtste, maar bijna al zijn symfonieën opnieuw onder handen nam. Maar Levi bleef ook toen zijn grote steun en toeverlaat. Dat Levi’s inzet voor Bruckner nauwelijks bekend is, is – zo valt te vrezen – nog altijd een gevolg van de duistere decennia, waarin de Joodse bijdrage aan de Duitse cultuur is weg gegumd.

De propaganda voor Bruckners symfonieën in Wenen was in handen van de Academische Wagner Vereniging van de stad (grotendeels studenten van de Weense universiteit). Dat was een broeinest van antisemitisme en extreem nationalisme. Op de verenigingsavonden was veel muziek van Bruckner voor het eerst te horen – vaak in bewerkingen voor twee piano’s. De vraag in hoeverre Bruckner deelde in het antisemitisme van zijn tijd – ook vanuit zijn diepe, gezagstrouwe katholicisme – wordt door van Zwol alleen omzichtig aangestipt.

Dat geldt ook voor een andere kwestie die het actuele Bruckner-onderzoek bezighoudt. In hoeverre speelden Bruckners neurosen een bepalende rol in zijn scheppingen? Bruckner was in de greep van dwangmatig rekenen en tellen. Heeft zijn telmanie ook zijn manier van componeren bepaald? En hoe zit dat met zijn passie voor zeer jonge vrouwen en meisjes, die hij soms al na een vluchtige ontmoeting ten huwelijk vroeg (altijd vergeefs) en meer in het algemeen met Bruckners seksualiteit? Hij sliep als man van in de zestig nog met een zwembroek aan, vanwege nachtelijke zaadlozingen, en hij is vermoedelijk als maagd gestorven.

Het traditionele Brucknerbeeld – het beeld van de pure en zuivere ambachtsman, de mysticus, die als een soort middeleeuwse verschijning anachronistisch in de 19de eeuw ronddwaalde – wankelt. Evengoed zijn Bruckner en zijn muziek te zien als een door en door modern verschijnsel, als het product van het nerveuze leven van Wenen aan de vooravond van Freud, de stad die als de kraamkamer diende van zowel het slechtste als het beste dat de moderniteit heeft voortgebracht. Een verscheurd en gespleten mens, zowel onstuimig als geremd, met een morbide fascinatie voor de dood, die zich zelfs in zijn aan God gewijde muziek niet meer heel kon maken.

Voor het traditionele én het moderne Brucknerbeeld valt veel te zeggen. Van Zwol draagt voor beide visies ook veel materiaal aan. Bruckners laatste optreden achter het orgel van klooster Neuburg, als een oude, zieke man, eindigde met een dissonant. De vrome omgeving tekent de componist, die dissonant ook. Een aanwezige noteerde: ‘Door een misstap op het pedaal, die de meester helemaal niet bemerkte en derhalve star vasthield, sloot hij het naspel af met een schrille dissonant, die tot nu toe nog op de oplossing door zijn hand wacht.’