Een flashback naar de tijd dat de euro nog een mooie droom was

Floor Rusman las de verkiezingsbeloften van 1998 terug en verwondert zich over de naïeve eurodroom. Daar zitten we dan, met onze emotieloze bureaucratie.

Van het moment dat de euro werd ingevoerd – ik was toen vijftien – kan ik me weinig herinneren. Mijn eerste euro’s ruilde ik in voor een zak friet, die iets duurder was dan de week ervoor. Van een politiek debat over Europese integratie was ik me niet bewust, maar dat kan hebben gelegen aan het feit dat ik mijn vrije tijd doorbracht in friettenten. Om het gat in mijn geheugen op te vullen besloot ik deze week te flashbacken naar de tijd van de gulden: ik las alle verkiezingsprogramma’s uit 1998.

Het eerste wat opvalt: alle partijen behalve de SP waren enthousiast over de euro. „De eenwording van Europa en de uitbreiding met Midden- en Oost-Europese landen is goed voor heel Europa”, stelde het CDA tevreden vast. De tekst van D66 is ook mooi: „D66 is voorstander van de komst van de euro die voor veel burgers de meest concrete kennismaking met Europa zal betekenen.” Het werd inderdaad een kennismaking om nooit te vergeten.

Bijzonder is verder hoe paternalistisch de meeste partijen schreven over het benodigde ‘draagvlak’ onder de bevolking. Volgens de VVD kon „veronachtzaming van nationale gevoelens en belangen een afkeer van het integratieproces opwekken”; het was daarom belangrijk „het draagvlak te behouden”. Dit moest gebeuren door middel van „voorlichting en discussie” – uiteraard een discussie met maar één mogelijk eindpunt. D66 ging nog verder: „Mensen zijn slecht ingelicht over het feit dat Europese samenwerking in dienst is van ons nationaal belang.” Gelukkig zou dit probleem zichzelf oplossen: „De EMU biedt nieuwe economische perspectieven en het succes ervan zal in de nabije toekomst het draagvlak voor verdere integratie bepalen.” Dat is gebleken. Er is geen succes, er is geen draagvlak, en evenmin een weg terug.

Historicus Dirk-Jan van Baar schreef onlangs in de Volkskrant dat de Europese integratie democratisch is verlopen: voor elke nieuwe stap was een Kamermeerderheid. Dat zal best, want nagenoeg alle partijen waren voor de euro. Er viel dus weinig te kiezen. En toen er in 2005 wel een Europees referendum kwam, over de Grondwet, werd de uitslag weggewuifd als het resultaat van gebrekkige voorlichting.

En dat terwijl de meeste partijen in 1998 wel degelijk oog leken te hebben voor de problemen van een muntunie. Ze waren beducht voor overheveling van soevereiniteit zonder democratische controle, maar deden weinig concrete voorstellen om die angst tegen te gaan. Niemand opperde even te wachten met de euro tot de democratische controle op orde was. Ook andere obstakels leek men te willen bezweren met een stichtelijk zinnetje tussendoor. „Europa moet een waardengemeenschap zijn en geen emotieloze bureaucratie”, waarschuwde het CDA. „Voorkomen moet worden dat de EMU binnen Europa nieuwe scheidslijnen trekt tussen Noord en Zuid of Oost en West”, stelde de PvdA. En GroenLinks vreesde voor economisch eigenbelang: „Deze ‘geld terug’-obsessie dreigt de verhoudingen tussen de lidstaten te verzieken.”

Daar zitten we dan, met onze emotieloze bureaucratie, nieuwe scheidslijnen en verziekte verhoudingen. Gelukkig zijn ze geheel democratisch tot stand gekomen.

Floor Rusman (26) is historica en freelance journalist.