Een fallus met een woordenboek?

De postuum verschenen bundel met essays van John Updike bewijst dat diens literaire krachten tot op het laatst behouden bleven.

Het zijn niet de geringste aanbevelingen waarmee de uitgever deze bundel non-fictie van de in 2009 overleden auteur de wereld instuurt: ‘Our time’s greatest man of letters’ (Philip Roth) en ‘the finest writer working in English’ (Ian McEwan). Deze twee oordelen van eminente collega’s staan in schril contrast tot wat sommige jongere lezers van Updike vinden. ‘Just a penis with a thesaurus’, citeerde David Foster Wallace een anonieme lezer (of lezeres?) in een essay over wat hij noemde de Grote Mannelijke Narcisten. En daar rekende hij naast Updike ook de eerdergenoemde Roth en Norman Mailer toe.

Als je al zo vaak over Updike geschreven hebt valt het moeilijk veel nieuwe argumenten toe te voegen aan een oordeel over de man die ik de meest veelzijdige auteur en de meest briljante stilist van de Amerikaanse literatuur in de afgelopen halve eeuw vind. Evenals zijn laatste poëziebundel Endpoint en laatste verhalenbundel My father’s tears bevat ook deze finale bundel, Higher Gossip, met opstellen en recensies, voldoende materiaal om te onderstrepen dat Updike’s literaire krachten in zijn laatste jaren allerminst afnamen.

Deze verzameling (de zevende, specifieke bundels over sport en beeldende kunst niet meegerekend) is al even omvangrijk en veelzijdig als de vorige: met essays over boeken van hoofdzakelijk Amerikaanse auteurs, over golf, over ‘pet topics’, zoals hij het zelf noemt, maar ook met tafelredes bij de uitreiking van diverse prijzen en met bijdragen aan verzamelbundels, zoals over honkbal en ‘het einde van het boek?’

Dat Higher Gossip niet veel grote verrassingen bevat dan die vorige boeken heeft waarschijnlijk mede te maken met het feit dat het na Updike’s overlijden is samengesteld door Christopher Carduff. Vermoedelijk heeft die, bij gebrek aan materiaal voor een volwaardige bundel, er nogal wat (of eigenlijk best veel) artikelen en inleidingen aan toegevoegd die ook in eerdere uitgaven te vinden zijn.

Niet dat het een straf is om ze te herlezen. Zo werd ik opnieuw geraakt door de slotzin uit de inleiding tot de bundeling Maples-verhalen (Updike’s meesterwerk naar mijn smaak, naast de Rabbit-boeken): ‘Een stam die afgezonderd in een vallei woont ontwikkelt een accent, dan een dialect, en dan zijn eigen taal; zo is het ook met een echtpaar. Moge deze bundeling een speciale dode taal in stand houden, die niet eenvoudiger te ontleden valt dan Latijn.’

Hetzelfde geldt voor de vijf regels die Updike als recensent voor zichzelf stelde; hij publiceerde ze al in de bundel Picked-up Pieces. Ze zijn frappant in hun eenvoud en zelfs nederigheid en ik citeer er twee van:

‘probeer te begrijpen wat de auteur wilde bereiken, en verwijt hem niet niet te bereiken waar hij niet naar streefde’

‘als het boek als onvoldoende wordt beoordeeld, noem dan een succesvol voorbeeld in hetzelfde genre, uit het oeuvre van de auteur of elders vandaan. Probeer het falen te begrijpen. Weet je zeker dat het ’t zijne is, niet ’t jouwe?’

Hoe nauwgezet de auteur deze en de andere regels toepaste is af te lezen aan zijn bespreking van een biografie van collega Cheever, maar ook van Ethan Canins America America, een ambitieuze, maar uiteindelijk niet echt geslaagde roman, die door Updike op uiterst elegante en milde manier wordt rechtgedaan.

Het is verleidelijk te blijven citeren; uit de inleiding tot de verzamelde Rabbit-uitgave bijvoorbeeld (onder de titel Rabbit Armstrong: The Four Novels). Daarin we leren we dat ‘Rabbit Run, geheel in overeenstemming met de nerveuze, besluiteloze aard van de hoofdpersoon, in meer versies bestaat dan enige andere van mijn romans’. De na de eerste druk aangebrachte wijzigingen zijn blijkbaar zo ingrijpend dat lezers die het bij die eerste uitgave lieten, zo nieuwsgierig moeten raken dat ze de bundeling gaan aanschaffen.

Rabbit Run, zo lezen we hier, was trouwens min of meer een reactie op Kerouacs On the road, zonder dat Updike dat boek overigens gelezen had. ‘Ik stoorde me aan de kennelijke aanbeveling om jezelf los te snijden, Rabbit Run was bedoeld als realistische demonstratie van wat er gebeurt als een jonge Amerikaanse huisvader on the road gaat – de mensen die achterblijven lijden pijn.’

Daarmee onderstreepte Updike zijn dikwijls bekritiseerde middle-class-mentaliteit, waarvan hij zich nimmer distantieerde. Het is de houding van een behoudend, met zijn geloof worstelende burger, die een warme liefde toont voor zijn vaderland dat ‘met al zijn nadelen – vulgariteit, genotzucht, aanbidding van al wat jeugdig is – nog steeds een mal is voor de wereld, naarmate de rassen en naties zich onvermijdelijk met elkaar mengen.’

Prachtige zinnen, nog steeds, een vloeiende, schijnbaar moeiteloze stijl, met de beeldende kracht waaraan zijn tekenopleiding valt af te lezen. Met plotselinge briljante hoogtepunten, zoals in een ogenschijnlijk saai reportage-achtig verhaal over een fabriek waar leren voetballen worden gemaakt en waarbinnen hij plotseling weg zweeft in een rêverie over een aantrekkelijke arbeidster. ‘Ze had zijn liefde aangevoeld, daar achter haar machine, dwars door al het lawaai, als een naald door het leer.’ Hij neemt haar mee de fabriekspoort uit, trouwt met haar en ze worden gelukkig. Een dagdroom, maar toch...

‘Een fallus met een woordenboek’ of de ‘beste Engelstalige auteur’? Mijn oordeel zal duidelijk zijn, en ik betreur het dat de Updike-bron hierna wel echt zal zijn opgedroogd. Maar de geschiedenis heeft de neiging hardvochtig om te gaan met literaire reputaties.