De Bovenbazen (56)

Wat aardig,’ zei hij bewonderend. ‘Blijft het nooit stilstaan?’

‘Nee,’ zei Kwetal. ‘Zolang het slangetje in de grond steekt, trekt er zapl in de gnom. Dat gaat altijd maar door, zolang de aarde draait. Waarom weet ik niet. U zult dat beter begrijpen.’

‘Ja, ja,’ mompelde heer Ollie. ‘Natuurlijk. Het is mooi, hoor!

‘Goed,’ hernam het ventje opstaande. ‘U mag hem hebben, als u de woestijn tegenhoudt.’

Heer Bommel knikte afwezig, zodat Kwetal gerustgesteld afscheid nam en over een heuveltje verdween.

De nieuwe eigenaar van het toestelletje kreeg echter al gauw nieuw gezelschap, want daar naderde de oliekoning Steinhacker reeds met driftige tred.

‘Ik kom eens kijken, jongen!’ riep hij al van verre. ‘Hoe gaat het met je Generale Energie Syndicaat? Eh… wat heb je daar?’

‘Een futvoeder,’ zei heer Bommel met een brede glimlach. ‘Leuk, hè? Weigert nooit.’

Het gelaat van de magnaat bewolkte.

‘Een wat?’ vroeg hij met schorre stem. ‘Wat is dat? Loopt het op Solium?’

‘O, nee,’ hernam heer Ollie. ‘Dit is veel beter! We kunnen die Solium wel vergeten, aws! De futvoeder loopt op niets. Zolang het slangetje maar in de grond steekt en de aarde draait, als u begrijpt, wat ik…’

Hij zweeg toen de ander een rauwe kreet uitstiet.