David Foster Wallace is een held om te eren

Ik ben Maan. Wereldbibliotheek, 223 blz . € 17,90 ****

In interviews of andere stukken lees je wel eens hoeveel moeite het schrijvers heeft gekost om zich los te zingen van hun grote voorbeelden. Carmiggelt zei eens dat hij zo moeilijk van Elsschot los kon komen, een andere schrijver biechtte ooit op dat iemand van een uitgeverij tegen hem had gezegd dat ze zijn eersteling niet op de markt wilden brengen omdat het De avonden was, maar dan in een nieuw jasje.

Dan zijn deze tijden toch een stuk bevrijdender voor beginnende schrijvers. Het is, zo valt bij lezing van het zonder auteursnaam gepubliceerde Ik ben Maan te concluderen, allang geen doodzonde meer om je helden te eren of zelfs openlijk te imiteren. In een van de hoofdstukken in deze bekentenisroman, ‘Ik ben fan’, laat Maan blijken hoe groot haar waardering is voor de in 2008 overleden Amerikaanse auteur David Foster Wallace (DFW). Foster Wallace maakte in zijn werk veel gebruik van voetnoten, en het is dan ook in een voetnoot waar Maan zich bewonderend uitlaat over Foster Wallace’s gebruik van de zogenaamde ‘chromatofoor’: niet zeggen dat iets wat je beschrijft ‘lelieblank’ of ‘rozenrood’ is, maar een veel ongemakkelijker klinkend ‘menstrueelroze’, ‘wachtkameroranje’ of ‘hostiewit’ gebruiken.

Twee hoofdstukken verderop is het raak, wanneer Maan verhaalt over het ‘piskleurige pak’ waarin ze een avond heeft doorgebracht. Daar blijft het niet bij: het mooiste aan DFW vindt Maan de wijze waarop hij een analyse van de tijdgeest in zijn stijl heeft geïncorporeerd. ‘In zijn zoektocht naar een authentieke en wezenlijke interactie met zijn omgeving botst menig personage steeds weer tegen de Ironie op, die voor Foster Wallace niet alleen een literaire leidraad is, maar ook een hoofdsymptoom, een intrinsieke eigenschap van onze huidige cultuur. Alles in onze maatschappij is Ironie en Entertainment, waardoor een directe link met de werkelijkheid vrijwel onmogelijk lijkt.’

Maan hangt zo’n koppeling tussen analyse en stijl aan, maar anders dan DFW. Ze schrijft over zichzelf, omdat de psychiater bij wie ze loopt niet voldoet. Op dus, naar de ‘publieke arena van de literatuur’, zoals ze het noemt. ‘Omdat ik nu eenmaal altijd op zoek ben naar exclusiviteit. Naar aanstellerij. Naar duizelingwekkende ervaringen. Naar uitvergrotingen. Naar drama. Naar het allerhoogste (eeuwige roem) of het totale fiasco (genadeloze afstraffing van mijn hybris).’

Er is, en dat zal nauwelijks verbazen, niet veel ruimte voor iets anders dan Maan zelf in Ik ben Maan. Maar gek genoeg werkt de roman juist goed wanneer er naast dit rondborstige, intelligente, bipolaire, gerontofiele en uit nog veel meer andere extremen bestaande persoon/personage iemand anders in het blikveld verschijnt.

Het hoofdstuk waarin Maan los gaat op ouders en kroost op een kinderfeestje steekt wat intensiteit betreft dan ook boven de hoofdstukken uit waarin het eigenlijk alleen maar om Maan draait.

Een proeve van haar welbespraaktheid en afkeer: ‘Daar waren ze, die kwijl sproeiende monstertjes, die poepmachientjes, die uierzuigers, die geluierde hangbuikzwijntjes, broeinesten van luizen en wormen, besmettingshaarden. [...] Daar zaten ze, die uitgelebberde vrouwen met hun goedgeefse spenen buitenboord en ratelend in een onbegrijpelijk taaltje, alsof ze in tongen spraken.’

Het is Maan en de andere leden van de DFW-club uiteindelijk te doen om een opgaan in fictie. Zo scharrelt er op een van de sadomasochistische feestjes die Maan bezoekt een (ingebeeld?) meisje rond dat er naar streeft de perfecte imitatie te geven van een personage van DFW. En zo lijkt Maan zich, in een overigens vorstelijk beschreven sm-rollenspel op een geïmproviseerde martelboot, eindelijk van zichzelf te bevrijden. Zwijgen wil ze. De praatjesmaker uit zichzelf laten ranselen. Personage genezen, einde boek.