Bekken met bliksem in zijn vuist

Gerrit Paape (1752-1803) begon als plateelschilder maar ontdekte al snel dat zijn hart bij het schrijven lag, én bij de patriottenbeweging, ‘een revolutionaire wegenwacht’. Monumentale biografie over een man met vele levens.

Aristocraat ‘nieuwe stijl’, die de ‘Rechten van den Mensch’ vertrapt en die alles ‘om mij zelve’ laat draaien. Titelprent in ‘Gerrit Paape, Het leven en sterven van een hedendaagsch aristocraat’ uit 1798. Illustratie uit besproken boek

‘Onder de menigvuldige werken van de vruchtbare veelschrijver Paape is ongetwijfeld veel middelmatigs, prulligs zelfs, want de man moest er van eten. Maar in sommige is toch menig korrel zout aan te treffen. Als dichter had hij een goede aanleg, maar hij viel ongelukkig genoeg in verkeerde handen.’

Deze kwaliteiten van dichter, journalist, vertaler, romancier, rechter en ambtenaar Gerrit Paape (1752-1803) worden lauwtjes genoteerd in 1824. Nederland als eenheidsstaat is dan elf jaar oud, in het koninkrijk bestaat grote behoefte vooruit te kijken. Koning Willem I had misschien persoonlijke redenen om de periode 1780-1800 te doen vergeten. Zijn vader, stadhouder Willem V was nu niet direct een vorstelijk pronkstuk geweest, met bovendien een vrouw die de broek aan had. Je wordt niet graag aan zulke voorzaten herinnerd.

Ook andere 1824-Nederlanders dachten niet graag terug aan de jaren tachtig en negentig van de eeuw daarvoor. Oorlog met Engeland, burgeroorlog tussen oranjeklanten en patriotten die meer democratie wilden, Pruisische en Franse troepen in het land. Was men zelf patriot geweest: ‘Ach, die tijd dat ik zo wat keesde...’ En de voormannen uit die dagen – neem Gerrit Paape, middelmatig man toch? Had allemaal bitter weinig voorgesteld, niet een geheugenalkoofje waard.

Pas in tweede helft van de 20ste eeuw heeft men begrepen hoe wezenlijk die paar decennia zijn geweest, als het gaat om natievorming (Nederland bestond in de 18de eeuw uit regentesk bestuurde, afzonderlijke gewesten), en de emancipatie van volk (en vrouw). In dit nieuwe beeld dook ook de ‘prullige veelschrijver’ Gerrit Paape weer op, pennenvoerder bij uitstek der patriottische ‘kezen’. Zijn politieke, maar vooral ook grote literaire belang is nu eindelijk definitief gevestigd, dankzij de monumentale biografie die over hem verscheen: Peter Altena’s Gerrit Paape. Levens en werken.

Paape, geboren als kleermakerszoon te Delft, bekwaamde zich in de beroemde plaatselijke aardewerkindustrie als plateelschilder. Zijn hart lag echter bij lezen en schrijven. Hij wist met zijn godvruchtige jeugdpoëzie door te dringen tot het eerbiedwaardige, stedelijk dichtgenootschap Kunstliefde spaart geen vlijt. Social climbing van een onmatig, onstuitbaar talent. Lidmaatschap van een belangrijker Haags dichtgenootschap volgt.

In Delft sluit Paape zich in 1782 aan bij de Patriotten, die twee jaar later een (democratisch bestuurd) exercitiegenootschap oprichten. Zulke burgerkorpsen schoten in het hele land op. In een paar jaar vormden ze een drukmiddel om patriotten in stads- of regiobestuur te krijgen. Enkele steden worden zelfs bezet door een ‘vliegend legertje’ van burgers – fraai door Altena getypeerd als ‘een soort revolutionaire wegenwacht’.

In Friesland vliegen de patriottenvaandels, te Hattum wordt onder de genootschappelijke kapitein Daendels actie ondernomen, met als hoogtepunt de aanhouding door het burgercorps uit Gouda van stadhouderseega Wilhelmina van Pruisen. Ze was op weg om in Den Haag haar broekspijpen te laten zien, maar werd teruggestuurd – de beroemde scène bij Goejanverwellesluis. Het zou er toe leiden dat haar broer, de koning van Pruisen, de Republiek liet bezetten.

Vlijmscherpe pen

Paape had zich vanaf 1780 ontwikkeld als prozaschrijver en journalist. In 1785 begon hij als redacteur van de plaatselijke Hollandsche Historische Courant, het blad van zijn radicale vriend Wybo Fijnje (1750-1809). Paape schreef met vlijmscherpe pen pamfletten en gedichten, wierp zich op als genootschaps-geschiedschrijver en theoreticus van de patriotten.

In die laatste rol is hij opmerkelijk kritisch. De patriotten zijn uit op ‘grondwettige herstelling’, de terugkeer naar een ‘constitutioneel paradijs zoals bij de oude Bataven’. Niks paradijs, zegt Paape, bij de Bataven ging het er barbaars aan toe. Ook liet hij weinig heel van wat men als ’Friese vrijheid’ had geïdealiseerd. Andere tekorten van de patriottenbeweging analyseert Paape even onbarmhartig.

Op 21 augustus 1787 werden in Delft diverse regenten vervangen door patriotten. Paape was daar niet een van. Misschien vanwege zijn nederige afkomst – niet alles in de patriottenbeweging was nieuw en democratisch. In deze fluwelen revolutie zocht men naar gematigder krachten dan Gerrit Paape, die zich in geschrifte of gesproken woord doorgaans ‘met de blixem in de vuist’ uitbekte. Lang hield de fluwelen omwenteling niet stand, in september 1787 trokken de Pruisen het land binnen. Paape en Wybo Fijnje worden uit de gewesten Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht verbannen. Paape komt terecht in Duinkerken, en zal er zeven jaar blijven, tot hij achter de Franse legers aan in 1794 weer terug kan keren.

Als het aan Paape had gelegen was het toen bijltjesdag geworden. Hij is woordvoerder van de felste radicalen – mee- of overlopers moeten gestraft. Eenmaal tot raadsheer aan het Friese (!) gerechtshof benoemd werkt hij ook mee aan de executie van een tegenstrever. Met zijn radicalisme manoeuvreert Paape zich gaande de jaren op een zijspoor. Gematigder patriotten zoals Pieter Paulus, Rutger Jan Schimmelpenninck en Wybo Fijnje krijgen in de nieuwe Bataafse Republiek de overhand. In zijn laatste levensfase is Paape’s politieke rol uitgespeeld.

Bij het verdelen van de baantjes is Gerrit Paape dus vaak overgeslagen, misschien een standskwestie. Gelukkig had hij zijn schrijf- en vertaalwerk. ‘De man moest er van eten…’ en hij kón er dankzij een Olympische productie van eten. We vinden werkjes over porseleinfabricage (1789), silhouettekenen (1792) en honingbijenteelt (1797). Titels als Aanmoediging, aan de Delftsche Schuttery, by deszelfs Vorderingen in den Wapenhandel (1784), Willem en Willemyntje, of de mislukte reis naar de Republiek der Keezen, staatkundig blyspel (1787), Het Leven van Zijne Doorluchtigste Hoogheid Willem den Vijfden, Neêrlands tedergeliefden Erfstadhouder, bijgenaamd de bederver van zijn vaderland (1791).

In 1787 telde ik negen Paape-titels, waaronder een vrijcorpsgeschiedenis en een aantal brochures. Het jaar daarop een roman, twee treurspelen, een satire, een romanvertaling, een klucht en een reisboek in drie delen. In 1789 brengt hij niet minder dan twaalf titels op de markt. Paape is geen rijk vloeiende bron, Paape is een geiser.

De titel van Peter Altena’s biografie bevat een subtiel s-je: Levens en werken. Paape werkte vaak met pseudoniemen, of publiceerde zijn stukken anoniem. Begrijpelijk in de soms levensgevaarlijke jaren 1780-1800. Naast schuilnamen als J. Loenderdon en G. van Antwerpen produceerde hij onder een derde pseudoniem enkele bijzonder intrigerende werken. In 1788 verscheen van J.A. Schasz M.D. de wonderlijke satire Reize door het Aapenland. Opmerkelijk: Paape jatte dit Schasz-pseudoniem van de journalist Pieter ’t Hoen, die onder die naam in de jaren 1770 politieke toneelstukken over de Amerikaanse Vrijheidsoorlog had gepubliceerd en niet erg te spreken wasover deze toeëigening. Paape ging er briljant mee aan de haal. Hij deed dat in Reize door het Aapenland (1788), Het Land der Willekeurigen (1789), De Nieuwe Patriottische Werken, geschreven in Frankrijk (1795), en vier kluchtige blijspelen.

‘Menswording’

Met name in de eerste drie is sprake van voortdurende omkeringen, raadsel op raadsel gestapeld. Reize door Aapenland speelt in een wereld vol vooroordeel en geloof aan autoriteiten. De centrale kwestie is ‘menswording’, een belangrijk leerstuk der patriotten. Voor een minderheid der apen is dat een innerlijke zaak, maar voor de meerderheid van het stemvee is menswording een kwestie van haarsnijden en het afhakken van de staart. Reize door Aapenland is een meesterwerk. Paape is onnavolgbaar in zijn verhaalwendingen, zijn humor is hilarisch.

Men zou het misschien niet verwachten bij de rabiate pamflettist Paape, maar hij was een literair oeuvrebouwer. Een man met een goede neus voor wat hem van pas kwam. In 1786 verscheen zijn vertaling van een ‘staatkundige roman’ van de Duitse schrijver Christoph Martin Wieland (1733-1813): De Abderiten. Paape moet zichzelf hebben gevonden in de wijze waarin Wieland goochelt met de spreekwoordelijke domheid van de inwoners van Abdera – opmerkelijk genoeg geboorteplaats van de ‘lachende filosoof’ Democritus.

Wieland lijkt de aanjager te zijn geweest van het literaire oeuvre van Gerrit Paape, waarin evenzeer de waanzin van alledag (massahysterie, domheid) wordt ontmaskerd. Daarna ging het Paape-vliegwiel echt draaien. We zien een schrijver aan het werk die zich een bijna grenzeloze vrijheid permitteert, tot in zijn vertalingen. Aan sommige voegt hij vele eigen hoofdstukken toe, in één ervan beschrijft hij de ontmoeting met zijn eigen pseudoniem Schasz, die gekleed gaat als Jean-Jacques Rousseau.

Paape is een onbetrouwbare verteller ten top, die de lezer grinnikend alle hoeken van de kamer laat zien, tot in de autobiografische passages aan toe – al vindt Altena er tegelijkertijd verrassend veel waarheid in. In zijn De Hollandsche wijsgeer in Braband (1788-1790) en Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap (1792) is de hoofdpersoon uiteraard Paape zelf, maar een flinke slag om de arm kan geen kwaad.

Peter Altena presenteert in zijn Gerrit Paape. Levens en werken een enorme hoeveelheid gegevens. Met name in de eerste hoofdstukken over Paape en de dichtgenootschappen heeft men soms het gevoel te verdwalen in een woud van details. Maar als het Delftse exercitiegenootschap eenmaal is opgericht, gordt ook de grote overzichtsman Altena zich aan, voor het grote, inzichtelijke en eerherstellende beeld van de vele levens die Gerrit Paape in zijn bijzonder vruchtbare bestaan te verenigen wist.