Alleen thuis in de paradox

‘Greene schaduwt mij en leidt mij over de wereld’. Aldus Pico Iyer die al globetrottend mediteert over zichzelf en zijn literaire vader.

‘De winters zijn koud in Bhutan.’ ‘Ik was in Saigon, in de herfst, en had net ingecheckt in Hotel Majestic.’ ‘Ik was in Bogotá, op een grijze dag in juli.’

De leunstoelreiziger verkneukelt zich bij dit soort zinnetjes. Zie ze eens, de reisschrijvers met hun kennis van de winters in Bhutan, de mannen die naar Bogotá gaan zoals een ander naar Albert Heijn. Wat een pretentie ligt er in zo’n zinnetje besloten, maar ook: wat een onweerstaanbare romantiek.

Reisschrijver Pico Iyer vindt zichzelf terug in een hotel in Thimpu, de hoofdstad van Bhutan. Er is niks te doen behalve rondwandelen en dus leest hij The Comedians, Graham Greenes roman over de Britten Brown en Jones, en het Amerikaanse missionarissenechtpaar Smith in Haïti.

Hij leest en leest, het wordt donker en het licht valt uit. Iyer leest verder bij het licht van de gasverwarming in zijn hotelkamer en als hij het boek uit heeft, begint hij te schrijven, een lange brief aan Graham Greene. Greene is Iyers literaire vaderfiguur, ‘de man in zijn hoofd’ aan wie hij zich spiegelt en tegen wie hij zich afzet, de man die hem ‘schaduwt en leidt over de wereld’. Hij heeft diens adres altijd bij zich. In de ijskoude ochtend van Bhutan post hij de brief.

Aan de strekkende kilometers tekst over Graham Greene (alleen al de biografie door Norman Sherry in drie delen, dan nog een stapel korte biografieën, de verzamelde correspondentie en allerlei odes aan zijn werk) heeft Iyer een soort psychologische zoektocht annex reisschrijfmeditatie toegevoegd. Motief: westerlingen en in het bijzonder Britten in den vreemde. Het is een hybride boek voor mensen die van reizen, schrijven en de romantiek van de jaren vijftig en zestig houden. En van het werk van Greene natuurlijk.

Zelf is Iyer een reisschrijver die zich ‘een global village op twee benen’ noemt. Hij is van Indiase afkomst en groeide zo ongeveer op in het vliegtuig tussen zijn ouderlijk huis in Californië en zijn school in Oxford. Als hij niet reist, woont hij in Japan en Santa Barbara.

Eind jaren tachtig was Iyer één van de eersten die in boeken als Videonight in Kathmandu, Falling off the Map en The global Soul de McDonaldisering van de wereld tot onderwerp van zijn reisverhalen maakte. Geen wonder dat hij een diepe liefde opvatte voor de decors in het oeuvre van Graham Greene. Greene is immers één van de laatste reizigers die naam waardig, afkomstig uit de tijd dat horizonten nog echte verre einders waren en geen last-minute bestemmingen.

Vliegtuig

De oorzaak van die omslag: het vliegtuig dat in Greenes hoogtijdagen opkwam, maar nog niet massaal beschikbaar was. Als titel voor zijn autobiografie A Sort of Life had Greene lange tijd ‘110 luchthavens’ in gedachten. ‘Greene was een van de eersten die landde in Saigon of Havana en zag dat de waarheden van Londen daar niet golden’, aldus Iyer. Nu gelden westerse maatstaven in alle toeristencorridors van deze wereld.

The Man within my Head (de titel geleend van Greenes eerste roman The Man within) springt van Bhutan naar La Paz, van Sri Lanka naar Ethiopië, als Iyer vertelt waar de romans van Greene zich afspelen en in welke Greene-achtige situaties hijzelf verzeild raakte. Waaróm Iyer op een bepaalde plek is, vertelt hij nooit, wel dat hij in hotelkamers woeste schrijfaanvallen krijgt. Heel vaak gaan zijn teksten over Greene. Gaandeweg vraagt hij zich af wat Greene voor hem vertegenwoordigt, wat voor man het was en wat zijn, Iyers, identiteit eigenlijk zelf is.

Daarmee wordt dit boek een reis naar het innerlijk, zoals het cliché wil het verborgen doel van iedere tocht. Op de vraag wat er gebeurt met een eenzame man op een vreemde plek – vooral als die eenzame man toevallig een Brit is – bouwde Graham Greene zijn romans, en het is ook wat Iyer zich afvraagt in Bhutan. ‘Waarom was ik hier, in een land waar ik geen verbinding mee had, als ik ook op een plek kon zijn die echt iets voor me in petto had?’

In The Comedians leest Iyer: ‘Browns very urbanity and Englishness began to seem a crime, a sin in the world of unequivocal evil.’ Uit zo'n ‘steek van zelfbeschuldiging’, constateert Iyer, worden al Greenes karakters geboren. In The quiet American, Greenes beroemdste en misschien meest archetypische roman, zit volgens Iyer bijvoorbeeld een ander boek verborgen: ‘The unquiet Englishman’. Het verhaal van de oudere, illusieloze Brit Fowler, de jonge Vietnamese vrouw Phuong en de hoogdravend idealistische Amerikaan Pyle wiens politiek ingrijpen fatale gevolgen heeft, kan makkelijk geopolitiek gelezen worden.

Maar Iyer ziet het meer privé, en besteedt veel aandacht aan Fowler en Greene als archetypische Britten, vol terughoudendheid, illusieloosheid en gevoelens van superioriteit en zelfverachting die hen hinderen partij te kiezen of zich werkelijk ergens aan te verbinden. Zelf heeft Iyer genoeg tijd doorgebracht in Californië om deels te veranderen in een Pyle, vol naïef Amerikaans verlangen de wereld beter te maken. ‘Their high hopes for the world seem foolish until we see the alternatives’, schrijft hij over de Pyles van deze wereld.

Dát de Fowlers die afstandelijke houding hebben is niet vreemd. Ze zijn op de vlucht. Zie aan Greenes personages hoe Brits hij is, schrijft Iyer, en je moet toegeven dat hij ‘juist probeert weg te komen van die Britsheid’. Maar natuurlijk is ontsnappen aan je persoonlijkheid niet mogelijk. Zeker niet aan de kiem daarvan, de Britse kostschoolopvoeding, dat rudiment van ‘the strange cloisterd world of Victorian England’.

Daarin ligt in Iyers ogen de verklaring voor de typische Greene-figuren, wat vormelijke, cynische figuren die niet weten hoe te handelen in confrontatie met de lukrake wreedheid van de echte wereld, een wereld die enge dingen van ze vraagt zoals intimiteit en betrokkenheid, een wereld waar kostschoolcodes niet gelden. ‘Ik dacht dat dat het was waarvoor school ons had opgeleid – Empire in het postimperiale tijdperk.’ Thuis is dit archetype alleen in de paradox, zoals Greene, die katholiek was, maar er ‘de voorkeur aan gaf zichzelf te excommuniceren’, of Iyer, een spirituele Amerikaan met een voorliefde voor katholieke kloosters.

Ruim twintig jaar na Graham Greenes dood in 1991 barst het volgens Iyer nog altijd van de schrijvers die ‘in a deeply Greenian mode’ verhalen schrijven over mannen uit de middenklasse, ver van huis en verloren in de confrontatie met het leven dat zich daar afspeelt. Getuige recente romans van bijvoorbeeld Arnon Grunberg en Dave Eggers heeft hij daarin geen ongelijk. En hieraan heeft de geglobaliseerde wereld kennelijk niets veranderd.

Hotels

Iyer vraagt zich in Bhutan af ‘hoe lang hij nog zal schrijven in hotels’. Hij schrijft Greene nog een brief, met een verzoek om een interview en ontvangt antwoord: de schrijver wil misschien wel, maar heeft voorlopig geen tijd. Anderhalf jaar later is Graham Greene dood. Misschien maar beter dat hij de man in zijn hoofd nooit heeft ontmoet, besluit Iyer, met een eigen paradox. Met de dood in het midden kan de band tussen beiden ‘intiemer zijn dan ooit’.

Iyers reis naar ‘Greene-land’ is misschien al te zeer een boek voor de liefhebber, maar het maakt wel dat je onmiddellijk Our Man in Havana weer wilt lezen, The quiet American en The honorary Consul. Dus stop nog snel een stapeltje Greene in uw koffer. Voor als het herfst is in Saigon, koud in Bhutan, of grijs in Bogotá.