Voor derde profploeg van Nederland is wielrennen vooral teamsport

Iwan Spekenbrink begon vier jaar geleden een Nederlandse profwielerploeg. Dit jaar ging Team Argos-Shimano naar de Tour om een sprintetappe te winnen, maar dat zit er nu niet meer in.

Uit de bus van Team Liquigas kwam een oerkreet. „Ooeeeeaahh.” In de eerste Tourweek hadden de verzorgers en ploegleiders van de Italiaanse ploeg net Peter Sagan zijn derde Touretappe zien winnen, en ze schreeuwden het uit.

Naast de bus van Liquigas stond bij de finish in Metz die van het Nederlandse team Argos-Shimano geparkeerd. Manager Iwan Spekenbrink van de ploeg had erop gerekend dat het feestje in de eerste Tourweek in zijn bus gevierd zou worden. Niet in de bus ernaast.

Spekenbrink was naar de Tour de France gekomen om met zijn wielerploeg een etappe te winnen. Voor de Tour benadrukte hij telkens zijn ambities. „Als het niet lukt, zullen we teleurgesteld zijn”, zei hij ook.

In de Tour zou het moeten gebeuren. Vier jaar geleden was Spekenbrink een profploeg begonnen, in een tijd waarin de sport verscheurd werd door dopingschandalen en grote sponsoren afhaakten. Een ploeg die dingen anders wilde doen. Door samen te trainen, in plaats van alleen samen te koersen. Door wielrenners uitgebreid te controleren op dopinggebruik, strenger dan de internationale wielerunie UCI zelf. En door te vernieuwen, op sportwetenschappelijk gebied bijvoorbeeld. Succes op het hoogste niveau leek aanstaande.

Spekenbrink had immers de Duitse topsprinter Marcel Kittel in de ploeg, dit jaar al goed voor zeven zeges. Maar Kittel werd ziek en stapte na zes dagen af. Kittel had de hele week achterin het peloton gebungeld.

In de Ronde van Spanje van vorig jaar zat wel alles mee. Spekenbrink lachte toen hij eraan terugdacht, een week voor de Tour op het kantoor van zijn ploeg in Deventer. De laatste kilometers van de etappe naar Talavera de la Reina speelden zich opnieuw in zijn hoofd af. „Op het goede moment, op anderhalve kilometer voor de finish, kwam onze ploeg in een keer naar voren. Iedereen wilde daar vooraan zitten, en wij reden er met zeven man”, vertelt Spekenbrink. „In de laatste kilometer ging Roy Curvers van kop af. Daarna kwam Koen de Kort. Daarna Veelers, pats, eroverheen. En Marcel Kittel was de snelste op het laatste stuk. Dat was niet een renner die in zijn eentje verschil maakte. Alles kwam daar samen.”

Iwan Spekenbrink werd op zijn 28ste manager van een profwielerploeg. Hij was jong, had zelf nooit in het profpeloton gefietst. In de vrij conservatieve wielerwereld wordt dan al snel een beetje gek gekeken. En dan verkondigde Spekenbrink ook nog eens dat hij dingen anders wilde gaan doen.

Spekenbrink vond het vreemd dat wielrenners doorgaans aan hun lot worden overgelaten. Dat wielerploegen bestaan uit individuen, die elkaar vrijwel alleen tijdens wedstrijden zien.

„Wielrennen is een sport waarin technische vaardigheden veel minder belangrijk zijn dan in het voetbal. Als wielrenner moet je vooral heel hard werken”, stelt Spekenbrink. Hij beschrijft dat wielrenners bijna dwangmatig met hun sport bezig zijn. „Ze gaan heel strikt om met voeding, met trainingen, met hun materiaal. Maar alle verantwoordelijk ligt bij de sporter.”

Spekenbrink gooide het over een andere boeg. Hij nam trainers in dienst, een bewegingswetenschapper, fysiotherapeuten. Sinds vorig jaar heeft de ploeg een thuisbasis aan de Spaanse kust waar veel gezamenlijke trainingen plaatshebben. De uitgaven daarvoor gaan ten koste van het budget voor de renners.

Met een budget van naar schatting 10 miljoen euro per jaar zit Argos op het gemiddelde van een Tourploeg. Doel van alle begeleiding, zegt Spekenbrink, is renners beter te maken. Hij gelooft dat zijn ploeg daarmee de concurrentie kan verslaan. „Bijkomend voordeel: hoe intensiever je met renners omgaat, hoe meer je weet. Je hebt meer controle.”

Controle op dopegebruik, bedoelt hij. Spekenbrink is ook vicevoorzitter van de ‘beweging voor een geloofwaardige wielersport’, waarin de ploegen met het strengste antidopingbeleid zich hebben verenigd.

Spekenbrink kiest zijn woorden voorzichtig. Zegt dat zijn sport een cultuur van dopegebruik heeft, die niet van de een op andere dag zal verdwijnen. „Hier en daar wordt mogelijk nog wel eens doping gebruikt.” Hij zegt dat het daarom voor ploegen gevaarlijk is om door de sponsor louter afgerekend te worden op prestaties. „Je weet niet wat de concurrentie doet.”

Tourdirecteur Christian Prudhomme was een van de eersten die liet weten fan te zijn van Spekenbrinks project. Hij verwelkomde de vernieuwing in de jaren dat ook de Tour te maken had met het ene schandaal na het andere. „De Tourorganisatie heeft een belang om bepaalde ploegen te laten groeien”, zegt Spekenbrink. In 2008 kreeg zijn ploeg direct een uitnodiging voor Parijs-Nice, een wedstrijd van Tourorganisator ASO.

In Parijs-Nice speelde de ploeg direct een hoofdrol. De jonge Franse renner Clement L’hotellerie won het bergklassement en groeide uit tot de held van ASO. Een paar maanden later ontbond Spekenbrink het contract van de renner echter. „L’hotellerie boekte enorme progressie, maar wij konden niet inschatten waar dat vandaan kwam. Hij zegde steeds af voor trainingskampen en wedstrijden.”

Tegen de achtergrond van alle dopingaffaires in de sport gaf dat geen prettig gevoel, zegt Spekenbrink. Hij had geen enkel bewijs dat L’hotellerie doping gebruikte, benadrukt de manager, hoewel de renner later wel degelijk werd betrapt. „Het was een cruciale beslissing. Wij namen als jonge ploeg afscheid van onze beste renner. Maar hij voldeed niet aan onze beginselen. Dan kan het niet zo zijn dat een individu groter is dan de ploeg.”

De bewuste keuze voor een sprinttrein, in plaats van elke renner voor eigen succes te laten rijden, past ook in die gedachte. „Als ploeg heb je invloed op een massasprint. Om een sprinter met een treintje van renners te lanceren, heb je timing nodig, durf, inzicht, een tactiek.” Wielrennen wordt meer en meer een teamsport, zegt Spekenbrink. „Als je dat kunt perfectioneren, heb je het voordeel van het collectief.”