Vallende engelen moeten wel goed hard vallen

De jongen loopt met lolly’s te venten. Transparante vormen in cellofaan, topzwaar op hun houten stokjes. Het zijn de koppen van de leiders van de G8. Merkel en Poetin en Mario Monti... hij heeft ze alle acht. Hij maakt ze zelf, vertelt hij. Als je eraan likt, besef je de illusie die machthebbers zich maken over hun invloed. Zoiets zegt hij. Pfff, daar trap ik niet in, denk ik.

Maar dat houd ik voor me.

De jongen heet Siarhei Tserasiuk, komt uit Wit-Rusland en dit, lolly’s plus verkoop, is zijn eindexamenproject voor de Gerrit Rietveld Academie. Ik vraag wat ze kosten. 10 euro. Ik doe of ik niet verschiet (10 euro? voor een lolly?) Ik koop een oranje president Obama en word onderdeel van zijn kunstwerk.

Performances zijn vaak irritant, want alleen al door te kijken, word je tot medeplichtigheid gedwongen. En dat pakt altijd intiemer uit dan welvoeglijk is.

Thuis zit ik met het obamaatje. Moet hij bewaard worden? Of eet je een kunstwerk als dit juist meteen op? Ik zet hem voorlopig in een vaasje.

Op Tserasiuks website vind ik een filmpje: Metamorphoses. Het toont St. Petersburg, New York en Venetië, elk verborgen in de ochtendnevel die oprijst uit respectievelijk Neva, Hudson en Adriatische Zee. Of misschien wel niet. Misschien is het gewoon het Amsterdam-Rijnkanaal. Mist is mist, water is water en die stadscontouren zijn allervaagst.

Onzin. Maar wel intrigerende onzin: drie prachtige steden, die er altijd zijn, ook als je ze niet ziet.

Of iets kunst is of niet, vraag ik me nooit af, want daar kom ik toch niet uit.

Voor het afstudeerproject van de IJslander Styrmir Örn Gudmundsson moet ik naar de Amsterdamse galerie W139. Zijn performance heet The Death Show en bestaat uit een hoekige monoloog die cirkelt om de dreiging van de dood. Hij begint in een installatie met een rijtje ouwe geisers. ‘Boilers’ zegt Gudmundsson, want hij spreekt Engels. Realiseert hij zich wel dat wij hier elke IJslander associëren met het land van die andere geisers? Misschien is het de bedoeling helemaal niet, dat ik dat denk. Maar ik denk het toch.

Gudmundsson banjert door de ruimte, en praat. Fixeert deze, fixeert gene, en praat. Hij hult zich in een gordijn, valt op de grond, grijpt zich vast aan een voet. En praat. Zijn hand trilt, zijn blond gelokte vogelkop bloost. Wij in het publiek generen ons. Dat is goed, maar het is niet genoeg. Hij moet nog leren dat hij meer op het spel moet zetten dan alleen zijn zenuwen.

En dan ga ik naar de Rotterdamse haven. Daar meet de Armeens-Franse kunstenaar Sarkis zijn krachten met de leegte, de muren, de hoeken en de gaten van de hollebolle Onderzeebootloods.

Sarkis temt de ruimte met geluid en stilte. Met licht. En met een paar welgemikte objecten. Wat zet hij zelf in? Zijn peilloze melancholie. Hij smijt ons zijn naakte verdriet voor de voeten.

Om te beginnen is er een enorme, met duizenden witte veertjes beklede stortkoker. Ik denk: o ja, daar vallen engelen doorheen. In zijn meesterlijke film Der Himmel über Berlin stelde Wim Wenders zich engelen voor als lichtelijk onverzorgde middelbare mannen. Voor Sarkis is iedereen een vallende engel. Vermoed ik, vanwege de kring witgevederde fietsen rondom de stortkoker. Ik stap op, en rijd de loods in. Om mijn wielen waaien veertjes op, ik ben een laagvliegende engel.

Ik stap af bij een kring van dennenstammen. Bovenin bewegen de klokken van een carillon. Door de gedempte klanken weet je weer dat stilte alleen kan bij gratie van klein geluid.

Er loopt en fietst meer publiek, een meisje scheurt rondjes. Allemaal zijn we beland in Sarkis’ hersenspinsels. Wij doen zijn performance, vermoedelijk schaamt hij zich voor ons.

We zitten wel in Sarkis’ hoofd, maar we kunnen hem niet volgen. En elkaar kunnen we ook niet begrijpen. Deze installatie wrijft ons in dat we vreemden voor elkaar zijn. En dat we dat blijven, zelfs als we toegang krijgen tot andermans intiemste ideeën en verlangens.

Tot slot worden we, alsof er hoop is, uitgenodigd om iets achter te laten op een grote ronde tafel. Ik zie briefjes, fotootjes, een sleutel, lipstick. Ik zet mijn oogdruppels erbij – een flesje kunsttranen.