N iemand lijdt zo mooi als Laurens

Jezus leeft, en hij rijdt voor Rabobank. Nou ja, zijn dubbelganger dan. De dunne beentjes, de iele armpjes, het baardje, de vrome blik in zijn ogen – alles klopt. Het is een wonder dat gelovigen zich niet massaal aan de voeten van Laurens ten Dam werpen als hij neerdaalt van het trapje van de ploegbus.

Eenmaal op de fiets is de gelijkenis nog treffender. Bij mijn weten heeft Jezus nooit op een fiets gezeten, maar áls hij wielrenner was geweest, dan had hij gereden als Laurens. Sleurend. Zwoegend. Harkend. Zwetend. Snotterend. Bloedend. Lijdend, in naam van de hele mensheid.

Laurens doet niet aan dagjes rustig aan, hij verstopt zich niet in de bus of in de buik van het peloton. In plaats daarvan knijpt hij zichzelf uit als een tube tandpasta die bijna op is – iedere etappe nog een klein beetje meer. Niet voor niets zit hij alle dagen in de kopgroep, met zijn tong in zijn voorwiel en zwarte sneeuwvlokjes voor zijn ogen, vechtend voor een (verre) ereplaats. Afzien, afzien, nog meer afzien.

Eigenlijk was hij in deze Tour om Robert Gesink en Bauke Mollema te helpen, maar die zitten thuis tv te kijken terwijl hij zichzelf nog maar eens een beetje verder uitknijpt. Laurens lijdt alleen. Hij draagt het kruis van het Nederlandse wielrennen naar boven, naar beneden, naar boven, naar beneden, naar boven, naar beneden – en dat drie weken lang, aan één stuk door.

Ik kende Laurens al toen hij nog te jong was voor een Jezusbaardje, maar vijftien jaar geleden zat Het Grote Lijden er ook al in. Ik herinner me een gezamenlijke training op een klimmetje in Nergens-ennog-wat-dorp. We moesten van de dienstdoende trainer een miljoen keer omhoog rijden: Laurens vond het geweldig, vooral toen het ook nog begon te regenen. Na een keer of achthonderdduizend viel ik in de afdaling – mijn voorwiel sloeg onder me weg op een nat wildrooster. Ik bloedde als een rund en vond mezelf enorm zielig. Kleine Lautje niet. Hij keek met een blik vol fascinatie naar het gat in mijn knie en zei: „Wauw!” De seizoenen erna zag ik Laurens altijd en overal met schaven, butsen, littekens, bebloede bandages en mitella’s; hij viel zó vaak, dat het leek alsof hij het expres deed. Misschien was dat ook wel zo. Hij kreeg het zelfs voor elkaar zijn liesslagader te vernauwen – mocht hij nog de operatietafel op ook.

Bij Laurens is lijden geen middel, het is een doel. Hij doet niet mee om te winnen; Laurens toont ons dat het mogelijk is de hele dag pijn te lijden en de volgende morgen weer aan het vertrek te staan voor een nieuwe portie. Hij kastijdt zichzelf voor ons zondaars. Hij valt en hij staat weer op. Laurens is geen wielrenner, hij is een martelaar. Een heilige met een rugnummer.

Van de week sprak ik een fotograaf die tijdens elke etappe op zoek is naar de Jezus van Rabobank. Niet omdat Sint Laurens wint of op kop rijdt, maar omdat hij afziet zoals afzien bedoeld is. De fotograaf zei: „Niemand lijdt zo mooi als Laurens.” Daar kon ik maar één woord op zeggen:

Amen