De apenkop was een kinderhoofdje

Onderzoek naar de herkomst van de mens bracht haat en nijd teweeg, stelt de Britse historicus Martin Meredith. In zijn boek haalt hij pioniers uit de vergetelheid.

Op een ochtend in november 1974 ontdekte de Amerikaan Donald Johanson in de woestijn van Ethiopië een stapel fossiele botten. Het bleken de overblijfselen van een vrouwelijke mensachtige van 3 miljoen jaar oud. Met zijn medeontdekker begon Johanson te dansen in de gloeiend hete woestijnzon. In het kamp werd de Beatles-song Lucy in the Sky with Diamonds keer op keer gespeeld. Het skelet kreeg de naam Lucy.

Lucy is waarschijnlijk het beroemdste exemplaar van een vroege mensachtige. De vrouw van 1,20 meter lang is de afgelopen decennia uitgegroeid tot de Afrikaanse moeder van de mensheid. Lucy bracht haar ontdekker Johanson ook naar de top van de paleoantropologie, de wetenschap die onderzoek doet naar de herkomst van de mens – naast bijvoorbeeld de toen al beroemde Britse fossielenjager Richard Leakey. Voor een tv-camera schreeuwde Johanson in extase: „Nu heb ik je te pakken, Richard.” Hij bleef dit herhalen.

„De onderzoekers van de menselijke evolutie zijn extreem ambitieus, competitief en eigenzinnig”, zegt de Britse historicus-journalist Martin Meredith. In zijn boek Afrika: de bron van ons bestaan, dat net in vertaling is verschenen, staan prachtige portretten van deze avonturiers die jarenlang in Afrika groeven naar fossiele botten – geteisterd door hitte, geldgebrek, slagregens, muggen en tegenwerking. Gehoond door collega’s, bewierookt door de media.

Deze wetenschappers belichamen de zoektocht van de mens naar zijn oorsprong – en hebben ons beeld van deze oorsprong radicaal veranderd. „Lang is gedacht dat de mens in Azië is ontstaan, of in verschillende regio’s op de wereld”, zegt Meredith. „Door de vondsten van tientallen fossielen en genetisch onderzoek weten we nu zeker dat we allemaal uit Afrika afkomstig zijn. Allemaal.”

Meredith, even in Nederland voor de promotie van zijn boek, maakte deze speurtocht van nabij mee. De afgelopen halve eeuw werkte hij als journalist in Afrika, net in de periode dat er spectaculaire vondsten werden gedaan. „Als Afrika-correspondent heb ik bijvoorbeeld het grote nieuws over Lucy verslagen”, vertelt Meredith. „Ik heb alle belangrijke vindplaatsen in Ethiopië, Tanzania, Kenia en Zuid-Afrika bezocht en daar vaak met de onderzoekers gesproken.”

Waarom heeft Meredith, die onder meer naam maakte met een biografie van Nelson Mandela, dan nu pas een boek gemaakt? „Het is nog maar kort mogelijk om uit het erfelijk materiaal van moderne mensen echt goede informatie te halen over hun afstamming”, zegt Meredith. „Daardoor, en door onderzoek naar de ontwikkeling van het klimaat tijdens de evolutie, is er nu pas werkelijk consensus over de herkomst van de mens.”

De moderne mens ontstond 200.000 jaar geleden. Enkele honderden mensen verlieten 70.000 jaar geleden Afrika en verspreidden zich over de wereld. „Ze hadden waarschijnlijk al taal. Ze hadden zeker geavanceerde stenen werktuigen en kunstzinnige vaardigheden, want in Zuid-Afrika zijn fraai bewerkte stukjes oker gevonden van 75.000 jaar oud”, zegt Meredith. Dat verklaart volgens hem ook de ‘creatieve explosie’ die 35.000 geleden plaatshad in Europa, zoals te zien is aan de grottekeningen in Spanje en Frankrijk.

De paleoantropologen hebben deze grote reis van de mensheid de afgelopen honderd jaar gereconstrueerd dankzij opgravingen in woestijnen, grotten en kloven. „Ik heb hun voetsporen gevolgd en hun vaak ongelooflijke prestaties geboekstaafd”, zegt Meredith, die honderden boeken, brieven en archiefstukken las. Hij haalde prachtige pioniers uit de vergetelheid, zoals de Schot Robert Broom, die als tachtigjarige nog in driedelig pak door de hete woestijn snelde – op jacht naar fossielen.

Robert Broom was cruciaal voor de rehabilitatie van de Australiër Raymond Dart, die in 1924 het Taung-kind in Zuid-Afrika ontdekte. Dart herkende in het fossiel van 2,5 miljoen jaar oud een vroege mensensoort, en plaatste zo, als eerste, de wieg van de mens in Afrika. De gevestigde wetenschappers beschouwden de schedel met het kleine brein echter als een apenkop. Darts kennis van het Latijn en Grieks werd belachelijk gemaakt en zijn boek over het Taung-kind werd nooit gepubliceerd. Decennia later zou Dart gelijk krijgen, vooral dankzij de eindeloze stroom polemische publicaties van Broom.

In de paleoantropologie heersten haat en nijd. Tijdens congressen stonden wetenschappers tegen elkaar te schreeuwen. Ze verspreidden kwaadaardige roddels en ‘roofden’ andermans fossielen door er een lezing over te geven voor de eigenlijke vinder dat kon doen. Een onderzoeker wist een collega uit Ethiopië weg te krijgen door het gerucht te verspreiden dat hij voor de CIA spioneerde. Een ander wist een collega weg te houden uit een museum in Kenia door hem zwart te maken bij de autoriteiten.

Meredith: „Lange tijd was veel onzeker in de paleoantropologie en dus was er veel om over te ruziën. Verder was het wetenschappelijke establishment conservatief; wie er tegenin wilde gaan moest een bijna religieus geloof in zijn eigen overtuiging hebben. Het Taung-kind met zijn kleine brein kón geen mens zijn, omdat de gangbare opvatting was dat de vroege mens pas was gaan evolueren nadat zijn brein was ontwikkeld. Als Broom niet zo arrogant was geweest, niet zo heilig in zijn eigen gelijk had geloofd, had hij niet zo lang kunnen strijden voor de plek van het Taung-kind in de menselijke afstamming.”

En dan: veldonderzoek is duur en fondsen zijn alleen bereid te betalen voor resultaten. „Die moesten er komen, anders was je carrière voorbij”, zegt Meredith. „De ontdekker van Lucy, Johanson, schreef na een maand vruchteloos zoeken in zijn dagboek: ‘ik moet nu scoren, anders ben ik weg’. En scoren was niet alleen iets moois vinden, maar dat vervolgens ook verkopen in de media – dat leverde weer sponsorgeld op.”

In deze machowereld is bijvoorbeeld Mary Leakey uit beeld geraakt. Ze was de vrouw van pionier Louis Leakey en moeder van steronderzoeker Richard Leakey. „Zij was de ware wetenschapper, die het vakgebied vernieuwde door als eerste vindplaatsen intact te laten, en ze deed ook zeer belangrijke ontdekkingen.” Zoals de versteende voetafdrukken in Tanzania, het bewijs dat de vroege mensen ruim 3,5 miljoen jaar geleden al rechtop liepen. „Ik heb haar uit de schaduw gehaald”, zegt Meredith.

Hetzelfde deed hij met de Afrikaanse spoorzoekers die vaak als eerste de fossiele botten ontdekten. Kamoya Kimeu speurde onophoudelijk voor Louis Leakey de grond af en herkende in de geringste afwijking een aanwijzing voor een fossiel. In Zuid-Afrika vonden lokale speurders een fossiel van 2,2 miljoen jaar oud: Little Foot, een verre verwant van het Taung-kind en Lucy. „Een ongelooflijke prestatie, want het fossiel zat in een zwarte wand in een stikdonkere grot”, zegt Meredith.

Little Foot is een belangrijke vondst die in 1998 door de Amerikaanse onderzoeker Ronald Clarke werd gepresenteerd. Maar hij heeft veel minder aandacht gekregen dan Lee Berger voor Sediba, een 2 miljoen jaar oud fossiel dat in 2008 werd ontdekt. Meredith: „Clarke is een bescheiden wetenschapper die jaren in stilte onderzoek doet voordat hij naar buiten treedt. Lee Berger noemde zijn fossiel Sediba zonder bewijs de Steen van Rosetta, de sleutel tot het geheim van de menselijke evolutie. Dat past weer helemaal in de grote woorden en de bravoure die al een eeuw bij dit vakgebied horen.”

Karel Berkhout