China is niet langer een ontwikkelingsland

Omdat China zich nog steeds een ontwikkelingsland mag noemen, mag het land onbelemmerd broeikasgassen uitstoten. Die status is niet meer vol te houden.

China blijkt niet alleen in absolute zin de meeste broeikasgassen uit te stoten, maar heeft nu ook per hoofd van de bevolking een Europees emissieniveau bereikt. Die conclusie uit een gisteren verschenen rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het wetenschappelijk bureau van de Europese Commissie (JRC) roept de vraag op hoe lang China zichzelf nog een ontwikkelingsland kan blijven noemen.

Die vraag is van belang omdat in 1992, op de Earth Summit in Rio de Janeiro, is afgesproken dat rijke en arme landen een ‘gezamenlijke, maar verschillende verantwoordelijkheid’ hebben voor de aantasting van klimaat en milieu. Op basis van die gedachte werd vijf jaar later in het internationale klimaatverdrag dat in Kyoto werd gesloten, afgesproken dat ontwikkelingslanden hun CO2-uitstoot voorlopig niet hoeven te reduceren. Wel mogen geïndustrialiseerde landen volgens het Kyoto-protocol hun teveel aan emissies afkopen met milieumaatregelen in arme landen – waarmee klimaatbeleid een verdeling van welvaart wordt.

Volgens de Belgische Greet Janssens-Maenhout van het JRC, een van de auteurs van het rapport, is het onderscheid tussen arme en rijke landen niet vol te houden. „Het was in 1992 nog gerechtvaardigd. Maar landen zijn niet statisch, hun situatie verandert”, zegt Janssens-Maenhout in een telefoongesprek. „De emissies in China hebben intussen zo’n groot effect op de totale uitstoot, dat die niet langer buiten beschouwing kunnen blijven. Ook al ligt de historische verantwoordelijkheid voor de opwarming van nu wel degelijk bij de geïndustrialiseerde landen.”

Juist vanwege die historische verantwoordelijkheid van de rijke landen, accepteert China echter nog steeds geen verplichte reducties. Het land is hooguit bereid om op vrijwillige basis maatregelen te nemen – en doet dat ook. Maar dat gaat de Verenigde Staten weer niet ver genoeg. Zij vrezen concurrentievervalsing als Amerikaanse bedrijven zich in China vestigen omdat ze daar onbelemmerd broeikasgassen kunnen produceren. Zo is het slechten van de scheidslijn tussen arm en rijk de grootste horde geworden in de onderhandelingen over een vervolg op het Kyoto-protocol.

Er wordt wel gezegd dat China vooral voor de westerse markt produceert en dat de broeikasgassen die daarbij vrijkomen dus in feite op het conto van de rijke landen geschreven zouden moeten worden – volgens het eveneens in 1992 afgesproken principe dat ‘de vervuiler betaalt’. Maar daarvoor zouden die producten een stuk duurder moeten worden. En daar voelt China niets voor.

Bovendien maakt het rapport van PBL en JRC duidelijk dat de Chinese investeringen in infrastructurele projecten, om de eigen economie op gang te houden, ook voor veel CO2-uitstoot zorgt, vooral door de productie van cement, dat voor veel broeikasgassen zorgt.

Daar komt bij dat China nog lang niet uitontwikkeld is. Janssens-Maenhout heeft desgevraagd het verschil becijferd in uitstoot van broeikasgassen van boeren en stedelingen in China. Dat verschil is vergelijkbaar met de Europese situatie. Een Chinese stadsbewoners is verantwoordelijk voor ongeveer 10 ton CO2 per jaar. Er is echter één belangrijk onderscheid. „In 2008 leefde nog maar de helft van de Chinese bevolking in steden”, aldus Janssens-Maenhout. „Terwijl in Europese landen het overgrote deel van de bevolking al in de stad woont en er geen noemenswaardige urbanisatie meer plaatsvindt, kan dat proces volgens het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP in China nog flink doorgaan.”