Brand maar los. Zijn er dingen te koop die dat niet moeten zijn?

De afgelopen decennia hebben marktwaarden de niet-economische normen uit bijna elk levensgebied verdrongen, luidt de ronkende flaptekst van Michael J. Sandels boek Niet alles is te koop (mei 2012). Een stelling die hij slecht onderbouwt: de voorbeelden zijn veelal extreem en gelden daarom niet als cultuurkritiek.

Sollicitatiebrieven, seks, trouwtoespraken, comfort in een gevangeniscel, plekjes in een wachtrij, handtekeningen van sterren, zelfs baby’s: allemaal te koop. Ook vrienden op Facebook. En denk eens aan die nieren van arme Pakistanen. Of studiemotivatie: in de VS betalen sommige scholen hun leerlingen per gelezen boek.

Sandel, hoogleraar politieke filosofie aan Harvard University, weet ook minder concrete voorbeelden uit zijn mouw te schudden. Een drukke zakenman die de boete voor het bezetten van een gehandicaptenparkeerplaats ziet als een aanvaardbare kostenpost. Of de politicus die kiezers ooit voorstelde snelheidsbekeuringen van te voren af te kopen. Druk maakt Sandel zich om huurlingen die voor het best betalende leger kiezen. Of bedrijven die voor jou excuses aanbieden. En brandkranen met het logo van Kentucky Fried Chicken.

Sandel verrast met zijn voorbeelden, maar niet met zijn inzichten: natuurlijk is het omkopen van ambtenaren verkeerd, natuurlijk is het van de zotte dat sommige adoptiekinderen handelswaar zijn, natuurlijk is de zakenman die de boete voor een gehandicaptenparkeerplaats voor lief neemt een hork. Maar juist omdat het gezonde verstand dat zegt is er geen sprake van algeheel normverval door marktwerking.

Betaald voordringen, zo’n drama is dat niet

De filosoof probeert met niet-exemplarische voorbeelden zijn punt te maken. Dat de markt publieke en menselijke waarden ondermijnt. Zo las hij eens over een investeerder in Michigan die een verzekeringspolis had afgesloten op het leven van aidspatiënt Kendall Morrison. Dankzij nieuwe medicijnen nam de levensverwachting toe, tot groot ongenoegen van de investeerder. “Voor de eerste keer voel ik wat het is als iemand je dood wil hebben”, zei Morrison in 1998 tegen The New York Times. “Ze hielden niet op met hun brieven en telefoontjes. Het kwam op me over als: ben je nu nog niet dood?”

Wat moeten we met die opmerkelijkheden? Eén van de weinige hoofdstukken die voor cultuurkritiek kan doorgaan is die over ‘voor je beurt gaan’. Daarin windt Sandel zich op over de zogeheten Fast Track: vliegtuigmaatschappijen die je een uur wachten besparen als je wat meer betaalt. En ‘rijbanen voor de rijken’: forenzen die tegen betaling van een snellere strook gebruik mogen maken. Ook exclusieve restaurants zijn hem een doorn in het oog. Hij ziet een trend in betaald voordringen. Ja, het is niet leuk als een rijke stinkerd even lapt om als eerste geholpen te worden. Maar moeten we daar nou echt een drama van maken? Alleen in het geval van de wachtlijst voor een operatie is het ernstig.

Commerciële bloedbanken hebben geen toekomst

Pas op bladzijde 66 komt Sandel met een gebruik dat algemeen aanvaard is en toch als moreel verwerpelijk door kan gaan: de CO2-compensatie. Dat is volgens hem gebaseerd op een lofwaardige gedachte, namelijk een vergoeding van milieuschade. “Maar compensatie brengt ook een risico met zich mee”, schrijft hij. “Namelijk dat mensen die hiervoor betalen verder alle verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering van zich afschuiven. Het gevaar is dat CO2-compensatie voor sommigen een pijnloze maatregel wordt, waarmee ze de fundamentele veranderingen in onze gewoonten, houding en levenswijze, die misschien nodig zijn om het klimaatprobleem aan te pakken, afkopen.”

Verder komt Sandel nog met een paar interessante onderzoekjes. Zoals het experiment waaruit blijkt dat het aantal bloeddonoren niet toeneemt als mensen betaald worden. Dat tast namelijk de bereidwilligheid aan. Ook halen collectanten niet meer op als ze een percentage van de opbrengst krijgen. En bewoners van een Zwitsers bergdorpje, een locatie die aangewezen was als mogelijke opslag voor radioactief afval, bleken niet gevoelig voor geld. Des te meer voor maatschappelijke verantwoordelijkheid: dat afval moet toch ergens veilig opgeborgen worden, dan maar hier.

Geld verdringt normen. Sandel probeert dat pagina na pagina te bewijzen, maar mislukt daarin jammerlijk. Eigenlijk een geruststelling: zolang we schrikken van zijn extreme voorbeelden valt het met de vervaging van morele grenzen wel mee. Het cliché ‘Niet alles is te koop’ in boekvorm.

Lees in de digitale editie (inloggen vereist) de recensie van NRC-redacteur Maartje Somers