Tien jaar laveren tussen politiek en recht

Een rechtbank die in tien jaar tijd slechts één verdachte veroordeelt en niet meer dan een tiental aanklachten ontvankelijk verklaart: het is, zacht uitgedrukt, niet bepaald een toonbeeld van doelmatigheid en productiviteit. Toch viert het Internationaal Strafhof in Den Haag zijn eerste decennium. Dit lustrum noopt tot bezinning en reflectie.

Het Internationaal Strafhof heeft de hooggestemde verwachtingen niet waargemaakt. Het hof moest een bijdrage leveren aan een mondiale rechtsgemeenschap, waarin universeel recht zou prevaleren boven de opportuniteit van de internationale politiek. In die zin was het Internationaal Strafhof in 2002 een product van het einde van de Koude Oorlog en de oorlogen die daarop in Joegoslavië (1991-1999) woedden.

In concreto heeft het hof zich ontpopt als een soort permanent Afrika-tribunaal. De enige veroordeelde (de kindsoldaatronselaar Thomas Lubanga uit Congo) komt van dit continent. Ook alle andere verdachten worden gedaagd wegens misdaden in Afrika. Elders wordt slechts ‘verkennend onderzoek’ gedaan. Dit beperkte blikveld, waar hoofdaanklager Moreno-Ocampo voor verantwoordelijk was, heeft het hof bij Afrikaanse leiders geen goed gedaan.

Opvolger Fatou Bensouda uit Gambia moet dat gevoel van selectieve rechtspraak proberen terug te dringen. Dat is dringend nodig. Want het Internationaal Strafhof zal altijd in het spanningsveld van de politiek en het recht moeten opereren. „Winnaars worden niet berecht”, wist tsarina Katharina de Grote (1729-1796) van Rusland al. Dat adagium geldt nog steeds, zeker in landen zonder ontwikkelde rechtstatelijke tradities. In theorie is er geen vrede mogelijk zonder recht. Maar in praktijk staan recht en vrede soms tegenover elkaar. Daarom liet de internationale gemeenschap bijvoorbeeld de gedaagde Soedanese president Omar al-Bashir lopen. Een snel en wellicht kortstondig vredesakkoord met Zuid-Soedan had meer prioriteit.

Dat wil niet zeggen dat duurzame vrede ook denkbaar is zonder recht. Uiteindelijk klinkt, na een periode van geweld, altijd de roep om gerechtigheid. Dat is bijvoorbeeld in Latijns-Amerika gebleken. Het idee dat oorlogsmisdadigers vrijuit gaan, omdat het politiek opportuun is, is ten langen leste nooit draaglijk. Het Internationaal Strafhof heeft, ondanks zijn trage start, dan ook wel degelijk zin. Het bestaan is een permanente waarschuwing aan het adres van de daders en een hoopvol wapen voor hun slachtoffers.