Mooi, maar wel een beetje donker

Als geen ander bepaalde schilder George Catlin het beeld van de Amerikaanse indianen. Zijn reisverslagen zijn nu deels vertaald. Dee Brown heeft tegenwoordig het nakijken. Zijn wereldwijde bestseller Bury My Heart At Wounded Knee (1970) over het lot van de Noord-Amerikaanse indianen, zette jarenlang de toon voor een sentimentele, neoromantische kijk op hun cultuur en

Ball Play of the Choctaws ca. 1846-1850, door George Catlin (Smithsonian American Art Museum)

Als geen ander bepaalde schilder George Catlin het beeld van de Amerikaanse indianen. Zijn reisverslagen zijn nu deels vertaald.

Dee Brown heeft tegenwoordig het nakijken. Zijn wereldwijde bestseller Bury My Heart At Wounded Knee (1970) over het lot van de Noord-Amerikaanse indianen, zette jarenlang de toon voor een sentimentele, neoromantische kijk op hun cultuur en geschiedenis. Hier waren nobele wilden geknecht door een gewetenloze ‘beschaving’ (met ironietekens).

Tegelijkertijd bleef onder amateurhistorici (Brown, die in 2002 overleed, was journalist en bibliothecaris) ook dat andere, politiek incorrecte epos in omloop, al ging het een tijdje ondergronds: het chauvinistische verhaal van de beschaafde frontier die moest worden verdedigd tegen een horde bloeddorstige barbaren.

Die laatste benadering is vrij plotseling weer opgedoken in Amerika, ongetwijfeld deels als reactie op de morele sympathie met de indianen die inmiddels ook door de Amerikaanse overheid wordt uitgedragen in musea en op gedenkplaatsen. In succesvolle boeken als Blood and Thunder (2007), de titel zegt het al, ligt het accent weer onbeschroomd op de verovering van het Westen door stoere binken als Kit Carson – met een flink potje knokken.

De kroon op dat genre spant Empire of the Summer Moon (2010) van S.C. Gwynne, waarvan inmiddels 500.000 exemplaren zijn verkocht – het soort boek dat in stapels op vliegvelden ligt. Gwynne, een journalist, vertelt vakkundig het verhaal van de bloedige guerrilla tussen Texas en de Comanches, in 1874 beslecht door het federale leger. Voor antropologie heeft hij minder belangstelling. Onderzoek onder de huidige Comanches deed hij niet, want hij wilde niet de indruk wekken, zei hij, ‘dat hij partij voor hen koos’.

Het resultaat is een negatief van Brown: indianen zijn niet langer slachtoffers, maar weer ‘gewoon’ barbaren. Wat die clichés gemeen hebben, is dat de inheemse Amerikanen eendimensionaal worden voorgesteld – hetzij als passieve vertrapten hetzij als agressieve woestelingen. Dat miskent hun historische rol, die complexer en interessanter was dan beide clichés willen. Zo betoogt Pekka Hämäläinen in zijn indrukwekkende wetenschappelijke studie Comanche Empire (2008) dat de Comanches ook politiek en diplomatiek een cruciale rol speelden in de herverdeling van territoriale macht in het Zuidwesten. Niet op vliegvelden verkrijgbaar, helaas.

De populaire ambivalentie over Amerikaanse indianen, gekoesterd en verguisd, is al zo oud als de popularisering van het ‘wilde Westen’. Eerdergenoemde Kit Carson trof ooit al, bij het lijk van een vermoorde koloniste, een dime novel over zichzelf aan. ‘Buffalo Bill’ Cody gebruikte echte Sioux om in zijn circus achter bizons aan te jagen (ze vonden het prachtig, bij gebrek aan beter).

Grote kinderen
En dan was er George Catlin, de schilder die als weinig andere contemporaine kunstenaars het beeld van de prairie-indianen heeft bepaald. Zijn werk, waarvoor hij bij leven nooit subsidie kreeg van de Amerikaanse overheid, hangt nu in prestigieuze musea en in het Witte Huis (in 1961 maar liefst 27 stuks, meldt vertaler Jan Braks in de inleiding van zijn vertaling). Catlins visie op de indianen is sympathiek maar, zoals gebruikelijk in de negentiende eeuw, gekleurd door een vanzelfsprekend blank superioriteitsgevoel. Bij Catlin zijn de indianen van de vrije prairies geen barbaren, maar eerder grote kinderen: soms vertederend, vaak nobel en imponerend, maar op de keper beschouwd onvolwassen.

Dat maakt zijn werk niet minder belangrijk. Catlin portretteerde tientallen individuen en gemeenschappen, van de sedentaire (nu vrijwel verdwenen) Mandans tot de nomadische Comanches. Zijn portretten glanzen van de bewondering die hij voelde voor zijn onderwerp: de mannen zijn nobel, de vrouwen ingetogen. Catlin was geen technische schilder, zijn beelden van de bizonjacht en het dorpsleven zijn eerder sfeervol dan documentair. Hij wilde het gevoel van het indiaanse leven op de weidse prairies overbrengen. Dat deed hij met verve, zijn werk – met name zijn portretkunst – spreekt nog steeds tot de verbeelding.

Catlin (1796-1872), geboren in Pennsylvania, maakte enkele lange reizen door het toen nog grotendeels ongetemde gebied ten westen van de Missouri. Per boot bezocht hij in 1832 Amerikaanse forten, handelsposten en tal van indiaanse stammen langs die rivier, van St. Louis tot in het huidige Noord-Dakota. Twee jaar later vergezelde hij, al schetsend, een militaire expeditie door het domein van de Kiowas en Comanches in het latere Oklahoma. Dat leverde schilderijen op van deze indiaanse ruiters op bizonjacht die nog steeds veelvuldig worden afgedrukt.

Ook zijn geschreven observaties zijn frappant. Over de Comanches, toen nog oppermachtig op de vlaktes, schreef hij: ‘Hun manier van bewegen is log en onelegant, en te voet behoren ze tot de onaantrekkelijkste en sjofelste indianenrassen die ik ooit heb gezien, maar zodra ze op hun paard klimmen, ondergaan ze een gedaanteverandering en wordt de toeschouwer verrast door de soepelheid en gratie van hun bewegingen.’ Let op de biologische typeringen (een Comanche te voet beweegt zich als ‘een aap’), kenmerkend voor de negentiende eeuwse combinatie van racisme en romantisering van de ‘nobele wilde’. Zo zijn de vrouwen van de Comanches vaak ‘heel mooi [...], hoewel hun huid heel donker is’.

Postume roem
Catlins reisverslagen werden, met ruim 300 illustraties, de basis voor zijn hoofdwerk Letters and Notes on the Manners, Customs and Conditions of North American Indians (1841). Ondanks aanvankelijke erkenning, verging het hem financieel steeds minder goed – hij moest zijn schilderijen uiteindelijk laten veilen – en de grote roem kwam uiteindelijk pas postuum. Maar die mag er dan ook zijn.

Een selectie uit Catlins teksten is nu door Braks vertaald, vooral die over zijn verblijf bij de Mandans, en zijn bezoek aan de Comanches. Die vertaling is prima, al had de tekst enige annotatie kunnen gebruiken. Catlins geeft maar weinig historische context, en over zijn observaties is inmiddels veel te zeggen. Ook zijn er maar acht portretten in het boek opgenomen (die zijn dan weer wel zorgvuldig gekozen). En op het omslag prijkt helaas een indianenfoto van de onvermijdelijke Edward Curtis, die veel later werkte.

Jammer genoeg ontbreekt ook Catlins omstreden ‘Appendix C’, zijn lijst van indiaanse karaktereigenschappen vóór en na hun ‘beschaving’. Hij plaatst de ‘oorspronkelijke’ indiaan tegenover de verloederde latere (‘nuchter/dronken’, ‘rood/bleek’, ‘trots/nederig’), een bipolair schema dat ook in zijn vooroordelen veelzeggend is.

Die minpuntjes daargelaten, is dit een waardevolle uitgave in een mooie reeks. Catlins werk staat, met alle beperkingen, ver af van de kruitdampboeken die in Amerika nu weer als warme broodjes over de toonbank gaan – gelukkig maar.

Sjoerd de Jong