Mens staat ongezond veel stil

Bewegen is gezond voor lijf en leden. Roken en drinken zijn dan niet. Er is geen twijfel mogelijk. Het Britse medische vakblad The Lancet heeft dat aan de vooravond van de Olympische Spelen in Londen nog eens vastgesteld. Ongeveer tien procent van de jaarlijkse sterfgevallen wordt (indirect) veroorzaakt door een gebrek aan fysieke inspanning. Daarvan kunnen diabetes, kanker, hart- en vaatziekten het gevolg zijn.

Maar hoe zet je mensen aan wekelijks de voorgeschreven 150 minuten te bewegen? De snelste weg om slechte eigenschappen af te leren, gaat via verbod en straf. En dus stelt de overheid bij wet vast dat (sterke) drank niet mag worden verkocht aan jongeren onder 16 of 18 jaar en worden volwassen extra belast met accijnzen. Roken wordt net zo ontmoedigd. Dat alles wordt begeleid met campagnes om de verboden en accijnzen het aureool te geven van ieders welbegrepen eigenbelang.

Goede eigenschappen aanleren, is ingewikkelder. Verbod is vanzelfsprekender dan gebod. Wie niet beweegt, stoort in beginsel niets en niemand. Dat de risico’s van inactiviteit via de gezondheidszorg later wel degelijk collectief worden verhaald, is een redenering met een al te ruime omweg. ‘Waar bemoei je je mee’, is de reactie als de overheid ingrijpt.

Toch wringt er iets. De onbeweeglijke mens, die voor zichzelf verantwoordelijk is, rukt intussen op als obesitaspatiënt, een kwaal die sociaal-cultureel zo erfelijk lijkt te zijn dat The Lancet spreekt van een „pandemie”.

Dat kan niet liggen aan mode. Veel meer dan vroeger zijn sporters nu publiekshelden. De sportbonden zijn groot gebleven. De sportschool is vanzelfsprekend geworden. Ook het schoonheidsideaal is gespierd en tenger, om niet te zeggen mager. Maar de effecten zijn beperkt. Dat komt doordat overgewicht verbonden is met de postindustriële dienstenmaatschappij. Gemotoriseerd pendelen is de dagelijkse norm. Er rijden tegenwoordig verdacht veel overdekte scooters (canta’s) door de straat, bestuurd door mensen die eerder te dik dan minder valide zijn. Voor kinderen is ‘anarchistisch’ buiten spelen steeds moeilijker. Et cetera. Maar dat wil niet zeggen dat de overheid geen leefgeboden zou kunnen en mogen bevorderen. Dat gebeurt al op de consultatiebureaus, bij gymnastiekles op de lagere scholen, bij schoolzwemmen, op sportclubs.

Er zijn talloze nieuwe stimuli van jong tot oud denkbaar waarvan een preventieve werking uitgaat. Maar dan moet de overheid die preventie wel hoger in het vaandel hebben dan het huidige kabinet.