Column

Kop op, Schleck: in de speltheorie is doping al lang een uitgemaakte zaak

Het liberale Britse weekblad The Economist betrekt sinds jaar en dag een stelling die menig conservatief lezer van schrik de thee over zijn vest doet morsen: geef alle drugs vrij. Het nemen van drugs moet ieders persoonlijke verantwoordelijkheid zijn, de schade van een vrije drugsmarkt zal groot zijn, maar niet groter dan die van alcohol. En de baten zijn enorm.

De georganiseerde misdaad wordt geamputeerd, de gevangenissen raken halfleeg en jonge overtreders zullen daar de andere kunsten van het vak niet langer leren van hun ervaren celgenoten. De enorme kosten die gemoeid zijn met handhaving, met name in de Verenigde Staten, vallen weg.

Mexicaanse kartels verschrompelen, dictators vallen, de Talibaan zitten plots zonder inkomsten, en ga zo maar door. De wereld zou wat slechter worden bij heroïne en cocaïne van, zeg, 1,50 euro per gram. Maar waarschijnlijk zou de aarde er ook veel beter van worden.

Je kunt het er mee eens zijn of niet, een prikkelende gedachte is het wel. Dat geldt ook voor het hier volgende. Gisteren werd de Luxemburgse wielrenner Fränk Schleck opgepakt tijdens de Tour de France voor dopegebruik. Boel gedoe, Frans machtsvertoon door de politie, Fränk natúúrlijk onschuldig, A-stalen, B-stalen.

Dopinggevallen in het wielrennen zijn zó endemisch, dat al wordt gegrapt dat de uitslag van de Tour pas jaren later definitief zal zijn – wanneer alle overtreders die later zijn ontdekt uit de einduitslag zijn verwijderd. Zevenvoudig winnaar, Lance Armstrong, ligt nu in de VS onder vuur wegens vermeend dopegebruik.

Dopegebruik is zeer verleidelijk en wellicht zelfs rationeel. Veel experimenten met speltheorie geven aan dat dopinggebruik voor individuele spelers de winnende strategie is, waarbij het vaak voor de favoriet (!) nóg rationeler is om het te doen dan voor de underdog. Dat verklaart wellicht waarom het onuitroeibaar is.

In de wedloop tussen de sporters en de autoriteiten is het al zo ver dat tijd, plaats, eigenlijk zo’n beetje het hele leven van een topsporter wordt beheerst door de controle op doping. De kosten van handhaving zijn enorm en nieuwe drugs lopen altijd voor op de autoriteiten.

Maar het is toch maatschappelijk slecht? In een korte analyse in Economic Analysis and Policy somde de Franse econoom Nicolas Eber drie jaar geleden op dat dit nog maar de vraag is. Slecht voor de gezondheid? Dat is topsport misschien sowieso wel. Een vergooide jeugd in een turnhal met hier en daar een trainer van bedenkelijk allooi, is dat wél gezond? Bovendien: drugs die de prestaties verhogen zouden soms juist de stress voor het lichaam kunnen verminderen en in wezen juist relatief gunstig kunnen zijn.

Kan wel zijn, is het volgende argument, doping is wél oneerlijk. Maar sport is al ten diepste oneerlijk. Een ander lichaam, andere begeleiding: er is al geen gelijk speelveld om mee te beginnen. Alleen een diepe en breed gedragen overtuiging dat eerlijk spel het beste is, zou sporters er toe kunnen aanzetten hun prisoner’s dilemma te overstijgen, stelt Eber.

Of het lukt door prijzengeld uit te stellen tot de pensioenleeftijd, waarbij de uitkering afhangt van een dopingvrije carrière, zoals de Groningse sporteconoom Ruud Koning drie jaar geleden bepleitte? Sympathiek, maar hoeveel sporters zijn bezig met hun pensioen?

Veel onderzoek refereert aan wat inmiddels een klassieker kan worden genoemd: Why we should allow performance enhancing drugs in sport, van Savulescu, Foddy en Clayton in het British Journal of Sport Medicine, alweer uit 2004. Daarin wordt wel gepleit voor het testen van sporters, maar dan niet op dopinggebruik an sich, maar op hun gezondheid en de mogelijke negatieve effecten van doping daarop. Denk aan Oost-Duitse sportvrouwen die bol stonden van de testosteron of wielrenners met levensgevaarlijke hematocrietwaarden.

De laatste tegenwerping dan: doping is slecht voor de reputatie van de sport. Tegenvraag: hoeveel mensen kijken er dagelijks naar de Tour de France?