Kikkersprongen van het startblok

Sebastiaan Verschuren (23) is een van de snelste zwemmers ter wereld. Maar hij is een trage starter. Alle onderdelen van de start probeert hij te verbeteren tijdens speciale trainingen.

Amsterdam. Echt, als het om hard zwemmen gaat, doet hij voor niemand onder. Zelfs niet voor wereldrecordhouder James Magnussen, het Australische wonderkind op de 100 meter vrije slag. Maar die start – kreeg hij zijn start maar op het niveau van zijn concurrenten. „Dan kan het nog wel eens heel leuk worden in Londen.”

Voor Sebastiaan Verschuren (23) was het altijd „heel confronterend” als hij zichzelf terugzag op video. Zoals de WK in Rome, drie jaar geleden. „Op het moment dat iedereen bovenkwam, lag ik al anderhalve lengte achter. Eigenlijk kwam ik als een baksteen in het water. Mijn hele start was kut.”

Hoeveel de Amsterdammer te winnen heeft, werd vorig jaar duidelijk tijdens de WK in Shanghai. Op het koningsnummer lag hij twintig meter van de finish een volle lengte achter op de rest van het veld, met supersprinters als Magnussen, Brent Hayden en César Cielo Filho. Aan de finish was het verschil slechts twintig centimeter.

Verschuren werd achtste, maar was nog geen 0,3 seconde verwijderd van een medaille. Inderdaad, de marge van een fatsoenlijke start. „We hebben uitgerekend dat ik daar twee meter goedmaakte in twintig meter zwemmen”, zegt hij in het Sloterparkbad, de thuishaven van het Nationaal Zweminstituut Amsterdam. „Mijn zwemsnelheid was de hoogste. Bizar, als je erover nadenkt.”

Hoogste tijd dus voor een extreme make-over. In baan 2, met de nieuwste onderwatercamera’s, traint Verschuren dagelijks op zijn zwakke punt, met coach Martin Truijens, videoanalist en oud-zwemmer Sander Ganzevles, en zijn ploeggenoten Joeri Verlinden, Nick Driebergen en Lennart Stekelenburg. Op een computer aan de badrand wordt elke start meteen afgespeeld. Lik op stuk. Een gele lijn geeft aan hoe zijn beste start ooit verliep. „In het begin was ik heel wisselvallig. Inmiddels zit ik constant rond mijn beste start ooit. Laatst heb ik hem zelfs verbeterd, met vierhonderdste.”

Het is honderdsten schrapen. Zijn reactietijd bij de start is „redelijk normaal”, zo’n 0,72 seconde. Maar daarna stapelen de problemen zich snel op voor Verschuren. „Wat ik mis, is de explosie van het blok af”, begint hij. „Ik ben meer een diesel. Op het moment dat ik in het water kwam, lag ik al een halve meter achter op Joeri of Lennart. Zij hebben zúlke benen. Ik heb altijd dunne beentjes gehad. We doen veel kikkersprongen en squats [kniebuigingen] om sterker te worden. Heel zwaar, maar ik verbeter mezelf wel.”

Als jeugdzwemmer besteedde hij nauwelijks aandacht aan zijn start. Hij was toch sneller dan zijn generatiegenoten. En hij specialiseerde zich aanvankelijk in langere afstanden als de 800 en 1.500 meter. Hoe hij op het blok stond? Nooit over nagedacht. „Ik ging gewoon staan, rechtervoet voor. Nu blijkt dat ik met mijn linkerbeen hoger spring. Misschien kan ik beter links voor zetten. Maar zo kort voor de Spelen ga ik dat niet meer omgooien.”

Ook zijn houding tijdens de duik moest anders. Waar een zwemlijf tijdens de zweefvlucht één rechte streep moet zijn, zat zijn hoofd onvoldoende tussen zijn armen. „Daardoor krijg je meer weerstand als je in het water komt. En mijn armen waren tijdens de duik te veel naar het water gebogen ten opzichte van mijn lichaam. Dan verlies je veel snelheid.”

Ook in de ‘onderwaterfase’ moest alles effectiever. Na de landing in het water wordt de snelheid van de glijvlucht langzaam minder. Een serie ‘vlinderkicks’ – een schoppende beweging met beide benen tegelijk – moet de zwemmer vervolgens op gang houden. „Daar ben ik goed in, dus ik heb de neiging daar te snel mee te beginnen. Maar de snelheid na die duikvlucht is het eerste deel onder water hoger als je je lichaam stilhoudt. Je moet ongeveer een seconde wachten voordat je met die kicks begint.”

Om het nog ingewikkelder te maken houdt Verschuren die vlinderkicks te kort vol. Hij komt te snel aan de oppervlakte. Verschuren: „Je hebt de neiging zo snel mogelijk omhoog te komen, en te beginnen met zwemmen. Dat beheers ik het beste. Maar toch ga je sneller als je onder water blijft. Ik doe nu ongeveer vier vlinderkicks na de start. Dat moeten er zes of zeven worden. Je mag de eerste vijftien meter onder water blijven, maar ik kom na elf of twaalf meter al boven.”

Verschuren traint dus op een betere timing van al die fases van de start. „Ik moet onder water de rust bewaren. Maar het is heel lastig te bepalen wanneer je met je kicks moet beginnen en wanneer je boven moet komen. Je moet aanvoelen wanneer je snelheid begint te verliezen en dan overschakelen naar de volgende fase. Dat is een kwestie van heel veel doen.”

De starttrainingen beginnen hun vruchten af te werpen. Vergeleken met de finale van de 100 meter vrij in Shanghai is zijn beste start nu viertiende sneller. Dat zou betekenen dat hij rond de 47,8 zou kunnen finishen, de tijd die jaren standhield als wereldrecord van Pieter van den Hoogenband. „Maar dan is het wel zaak dat je die perfecte start altijd kunt maken. Dat je niet straks in Londen op het startblok staat en toch weer alles fout doet.”