De manager heeft gewonnen

Bestuurders nemen de macht over in het hoger onderwijs. Deze ontwikkeling betekent het einde van de universiteit als vrijplaats voor belangeloze nieuwsgierigheid, stelt Ewald Engelen.

Het is fascinerende lectuur, die berichtgeving over de Eindhovense Design Academy die plotseling een deel van haar docenten zag weglopen na hoogoplopende ruzie over een reorganisatie. De ontwerpers Boelen, Schouwenberg en Grootens zouden de bestuurstaken van Gijs Bakker – oprichter van Droog Design en bepalend voor de excellente reputatie van de Design Academy – in zijn geest voortzetten, dus met behoud van de autonomie van een docentenkorps dat zijn aanstelling eerst en vooral dankt aan vakinhoudelijke expertise en niet aan onderwijskundige, organisatorische of politieke kwaliteiten.

Het college van bestuur besloot bij monde van Anne Mieke Eggenkamp anders. „De tijd dat één persoon bepaalde hoe het onderwijs werd ingericht, ligt achter ons”, liet ze afgelopen vrijdag optekenen in NRC Handelsblad. En: „Deze tijd vraagt om een wat strakkere sturing, een gezamenlijk kader, zodat je creatieve mensen de ruimte kunt geven om te doen waar ze goed in zijn.”

Dit is in een notedop het drama in het hoger onderwijs: de slag tussen bestuurders en professionals over de inrichting van onderwijs en onderzoek. Waren universiteiten en hogescholen ooit slaperige, elitaire instellingen met hoogleraren en lectoren die ongehinderd door derden hun eigen toko bestierden, nu zijn het quasicommerciële ondernemingen met missionstatements en professionele bestuurders met marktconforme salariëring en auto met chauffeur, die zich meer bekommeren om hun vastgoedprojecten dan om wat zich afspeelt op de werkvloer.

In het funderend onderwijs en het hbo hebben professionals de slag allang verloren. Een handjevol kunstacademies, conservatoria en specialistische instellingen – zoals de Design Academy Eindhoven – wist tot nog toe hardnekkig weerstand te bieden. Overal waar expertise het monopolie van een onaantastbaar gilde is, hadden bestuurders het nakijken. Onder het mom van ‘professionalisering’, ‘schaalvergroting’, ‘studeerbaarheid’, ‘toponderzoek’, ‘operationele efficiëntie’ en meer van dit soort lulkoek is er evenwel een nieuw offensief ingezet. Deze aanval dreigt te slagen waar eerdere faalden. Zie het vertrek van de drie van Eindhoven. Zie de ontslagrondes in de kleine talen. Zie de 450 fte die de Vrije Universiteit Amsterdam wil offeren om 33 miljoen euro vrij te spelen om haar nieuwbouw aan de Zuidas te redden. Nu wordt de professionele autonomie van het hoger onderwijs echt bedreigd. De definitieve knechting van de academicus is aanstaande.

De verhouding tussen staf en wetenschappelijk personeel op de meeste onderwijsinstellingen zou een Zuid-Amerikaans operetteleger niet misstaan. Het doel van deze invasie van procesdeskundigen is drieledig. Bestuurders afschermen tegen gerommel uit de ingewanden van de organisatie; het evangelie van prestatiemeting verbreiden; en de laatste bolwerken van verzet oprollen via intimidatie (‘jij krijgt geen onderzoeksgeld meer’) of ostracisme (‘jou nodigen we niet meer uit’).

Vandaar dat iedere hoogleraar een onderwijscertificaat heeft moeten halen, ook al gaf hij al vele jaren met goed gevolg les en is zijn opleidingspeil veel hoger dan van de sukkel die de onderwijskundige hoepel ophoudt waar hij doorheen moet springen. Vandaar dat huisvestingsplannen iedere medewerker uit oogpunt van ‘operationele efficiëntie’ nog maar een paar vierkante meter toebedelen, waardoor voor boeken – toch de brandstof van elke eruditiewetenschap – geen plaats meer is. Vandaar dat docenten aan de vooravond van elk semester een steeds uitvoerigere lijst van imbeciele onderwijsdoelen moeten opstellen, waarop ze later kunnen worden afgerekend door verwaten pubers.

Vandaar dat gewaardeerde wetenschappers elkaar uit pure kippendrift de hersens inslaan over citatiescores in hun jacht op schaarse onderzoeksgelden. Vandaar dat universiteiten horig zijn geworden aan die potsierlijke topsectoren van minister Verhagen (Economische Zaken, CDA). Vandaar dat academici steen en been klagen over de tijd die ze kwijt zijn aan onderhoud van de Potemkinwereld van tijdschrijven, verantwoording, evaluatie, management en interne organisatiepolitiek.

In de slag om de universiteit zijn accountants, communicatiemedewerkers, didactici, organisatieadviseurs, consultants, onderwijskundigen, spreadsheetacrobaten en interim-managers de frontsoldaten van een managementideologie die processen en procedures prevaleert boven vakinhoudelijke expertise en ervaring. Filosoof of grafisch vormgever, econoom of astrofysicus – allemaal zullen ze zich voegen naar de sjablonen van het bedrijfsproces.

Het krankzinnige is dat het allemaal gebeurt met de beste bedoelingen. Inderdaad is er weinig verloren gegaan aan de hoogleraar als oriëntaalse despoot uit de jaren vijftig en zestig. En wie is er tegen studeerbaarheid? Die studentenuitval is toch kapitaalvernietiging? Dan is het toch goed dat ‘onderwijskundigen het curriculum stroomlijnen’? Het spreekt toch vanzelf dat nieuwbouw en vastgoedmanagement een professionele financiële administratie vereisen? Wat is er mis met ambitie? Het is toch een brevet van onvermogen als je in een mondialiserende economie niet de ambitie uitspreekt bij de vijftig beste, grootste of groenste te willen horen? Zijn we een kenniseconomie of niet? Nou dan!

Toch bedriegt deze schijn van gezond verstand. De hoogleraarsuniversiteit van na de oorlog is allang geschiedenis. De uitvreters van de 1968-generatie zijn allang de tempel uitgejaagd. Studeerbaarheid is een eufemisme voor diploma-inflatie. Met kennis en innovatie hebben universiteiten evenveel van doen als megastallen met dierenliefde; met doodordinaire certificeringsmachines waarmee de gegoede middenklasse haar greep op comfortabele baantjes voor het eigen kroost reproduceert des te meer. Van nieuwbouw, glazen puien, nieuwe logo’s, sexy brochures en kekke organogrammen is geen opleiding ooit beter geworden. In een wereld waarin ‘top’ een prefix is waarmee – vrij naar Robert Musil – zelfs renpaarden worden getooid, zijn universitaire ambities van ‘toponderwijs’ en ‘toponderzoek’ evenveel waard als hete lucht.

De Alma Mater als vrijplaats voor geschoolde, belangeloze nieuwsgierigheid dreigt verloren te gaan. Door economische horigheid, bestuurlijke onverschilligheid, maatschappelijke onwetendheid, politieke intellectuelenhaat en academische kinnesinne is voor dit soort nieuwsgierigheid steeds minder ruimte. Dit is een persoonlijk drama voor de geroepenen die om deze reden ooit zijn terechtgekomen in de wetenschap en het onderwijs. Ook voor de samenleving is het rampzalig. We weten niet wat de vragen van morgen zijn, laat staan dat we er al de antwoorden op kunnen geven. Onderzoek naar wat deze vragen kunnen zijn, laat zich niet beschrijven in de taal van ‘valorisatie’, uitkomsten en deliverables.

Misschien moeten we hetzelfde doen als Boelen, Schouwenberg en Grootens: het bijltje erbij neergooien. Dat zal ze leren – de Filistijnen! Ik vrees evenwel dat het ‘ieder voor zich’ sterker is dan het belang van onzelfzuchtige nieuwsgierigheid.

Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam.