De Bovenbazen (54)

De oliekoning Amos W. Steinhacker was teruggekeerd naar zijn woning in de Gouden Bergen. Die dag had hij de tijd gekort door het uitwisselen van enige aandelen met de ploffietsmagnaat Grind, en nu zaten de beide heren een weinig uit te blazen.

‘Die Solium!’ sprak de laatste, ‘daar zie ik wat in. Ik moet de motoren wat omgooien, dat spreekt. Maar ze blijven in de markt, of ze nu op benzine of op Solium draaien. Een beetje reorganiseren en saneren; dat loopt vanzelf. Maar jij zit er naast, aws! Jij kunt met je olie bollen gaan bakken.’

Hij begon smakelijk te meesmuilen, doch de ander liet zich niet uit het veld slaan. ‘Ach,’ zei hij achteloos. ‘Men moet twee vierkante kilometers aarde vermalen voor één gram Solium. En de mammoetschuivers die dat werk doen, lopen op olie! Voorlopig nog wel, tenminste.’

‘Maar niet lang meer,’ hernam de heer Grind monkelend. ‘Over een maand geef ik geen plof meer voor jouw stukjes.’

‘Een maand is genoeg, jongen,’ zei aws van achter zijn sigaartje. ‘In vertrouwen gezegd; ik heb de zaak onder controle. De Solium is in handen van die nieuweling obb; de broddelaar met de spinnen, je weet wel. Als hij genoeg voorraad heeft, ruil ik mijn olie tegen zijn energie. Weet hij veel?’

‘Heel goed!’ riep ng en hij barstte in een gorgelend gelach uit. ‘Haha, die spinnen! Dat was…’

Hij viel plotseling stil en sprong ontsteld op.