Cosmetisch wieden

Nienke Denekamp volgt deze zomer wekelijks wat er opbloeit in een nieuw gezamenlijk stadslandbouwproject in Amsterdam-Noord. Illustratie Lobke van Aar.

Het gaat nu heel hard met het onkruid. Met name in de delen van de tuin die we samen zouden bijhouden, rukt het iedere dag verder op. Er is nog steeds geen plan voor deze collectieve delen. „Het plan is dat er geen plan is”, zegt een van de platenjongens die de tuin aan ons heeft uitbesteed. Op een e-mail met een voorstel voor weer eens een gezamenlijke werkdag, zoals we die begin mei bijna wekelijks hielden, komt geen antwoord. Dus is iedereen druk in zijn eigen tuintje.

Het onkruid dreigt ook mijn opkomende dahlia’s en tere augurkenplantjes te verstikken. Ondanks de truc met het karton. Het idee van de truc met het karton was dat door een laag karton en daarop een laag aarde het onkruid af zou sterven. Het klonk briljant. De platenjongen bestelde een paar kuub zwarte aarde, dat bleek bij aflevering nogal veel te zijn. Dagenlang kruiden we het met die ene kruiwagen naar alle delen van de tuin. De truc met het karton werkte, maar niet heel lang. Het onkruid komt tussen de kartonschollen omhoog. Wat te doen?

„We kunnen het onkruid dus niet met wortel en tak uitroeien”, probeer ik aan mijn Groningse moeder, eigenaar van een immense tuin, uit te leggen. Hoe meer gaten in het karton, hoe meer onkruid. We moeten dus zeg maar cosmetisch wieden, het onkruid er voorzichtig uittrekken.

Het ziet er een paar dagen netjes uit en daarna kun je opnieuw beginnen. Dat wel. Gelukkig zijn de stadsvrienden dolblij als je ze uitnodigt om op zaterdagochtend te komen wieden. Eindelijk kunnen ze hun rubberlaarzen aan. Met grimmige gezichten staan ze op de pont om het onkruid te lijf te gaan.

„Is deze plant goed of fout?” vraagt een behulpzame kennis. Hij wijst naar een onschuldig plantje dat op verschillende plekken opkomt. Geen idee. Is dit nou het beruchte zevenblad of de slimme groenbemester en onkruidonderdrukker facelia, waar de bijen zo dol op zijn en die tussen de dahlia’s is gezaaid omdat we volgens de Amerikaanse stadstuinier maar het beste ons eigen onkruid kunnen kiezen. Met modderige vingers google ik op de telefoon het blad van facelia. Het blijkt dat het kiemblad van een plant soms totaal niet lijkt op het uiteindelijke blad. Heb ik dat ooit geweten?

Ik bind de woekerende braam tegen het Heras Hekwerk. Het zal nog wel even duren voordat het hek geheel uit het zicht verdwenen is. Met de tuinklauw, net een sportschoolapparaat, lukt het uiteindelijk de penwortel van een onbekende plant te vermorzelen. De plant was hoogstwaarschijnlijk de trots van een van de voorgaande tuiniers, maar in mijn tuin is het onkruid. Op het verkeerde moment op de verkeerde plek opgekomen. Ik verwijder een scheut winde die zich in nog geen vijf dagen tijd al weer drie keer om een dahlia met de naam Shooting Star heeft geslingerd.

Roundup, wordt van verschillende kanten gesuggereerd. Het is een verdelger die onkruid tot in de wortels bestrijdt. Dan zijn we er in één keer van af. „Dat ga je toch niet echt doen?” vraagt de vrouw van een van de platenjongens, die een perk met vlinderplanten aan het aanleggen is. „Nee”, zeg ik, „natuurlijk niet!”