brieven

Wie lang studeert, krijgt wel degelijk een boete

Briefschrijver Wim Schoonhoven probeert ons wijs te maken dat de term langstudeerboete niet klopt (Opinie, 17 juli). Volgens hem zou ‘langstudeersubsidie’ een beter woord zijn. Hij betoogt dat het vervallen van de studiebeurs geen boete is, maar een poging tot het beperken van de normale studieduur plus één jaar bonus. Van hem mag iedereen daarna ‘vrolijk verder studeren’. Schoonhoven vergeet hierbij een klein detail. Wanneer een student langer dan vier jaar over zijn of haar bachelor doet, vervalt inderdaad de studiebeurs, maar wordt het collegegeld eveneens verhoogd van 1.771 euro naar 4.834 euro (voor het wo). Dit is een verhoging van 3.063 euro, in mijn ogen wel degelijk een boete.

Ik, Mini-man, ben niet lid van pretnichtenclub

Sinds ik de laatste column van Christiaan Weijts heb gelezen (‘Mini en Maxime’, 12 juli), weet ik tot welk specimen van de mensheid ik behoor: de ‘pretnicht’, ondersoort van de ‘kwebbelbimbo’, aan te treffen in roze kapsalons of escortketens. Beweegt zich voort in een Mini, volgens Weijts de ‘tutmobiel’ van de snelweg. Grote woorden, voor zo’n klein autootje.

Ik herken me niet in het door Weijts geschetste profiel. Want wat blijkt: ik ben niet de enige Mini-man. En Mini-mannen zijn zeker niet allemaal lid van de pretnichtenbabbelbimbo-club. Die stelling van Weijts lijkt me daarom rijp voor de rubriek next.checkt.

Meestal eb

Het is weer zo ver. Dankzij foto’s in de Volkskrant hebben Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië tussen 1945 en 1949 weer nieuwswaarde. Dat is ongeveer elke tien jaar het geval, zoals Henk Hofland (Opinie, 12 juli) terecht stelt. De geschiedenis van amnesie en tijdelijke belangstelling voor dit onderwerp valt na te lezen in Last van de oorlog (Uitgeverij Balans, 2002) van Stef Scagliola. De eerste publiciteit rond dit onderwerp van februari 1949 golfde op toen de oorlog zijn laatste en felste jaar was ingegaan, aan beide zijden de meeste slachtoffers vielen, en de Nederlandse regering in mei 1949 eindelijk realistisch genoeg bleek om tot soevereiniteitsoverdracht te besluiten. Daarna was het met dit onderwerp als eb en vloed, maar dan toch meestal eb. Hofland zelf noemt een aantal boeken, maar hij gaat voorbij aan de belangrijkste studie, die van Willem IJzereef, De Zuid-Celebes-affaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies (Dieren, 1984). Wie zijn geheugen wil opfrissen, leze dat werk nog eens na. Loe de Jong maakte er dankbaar gebruik van. Het is vrij gruwelijke lectuur die weinig te raden laat. We mogen hopen dat een grootschalig onderzoek naar dit onderwerp, voorgesteld door de onderzoeksinstituten KITLV, NIOD en IISG, het collectieve geheugen ten aanzien van het koloniaal verleden voorgoed wakker schudt en bij de les zal houden.