Vijf jaar jonger

Soms wou ik dat ik vijf jaar jonger was. Dan zou ik geen beginnende kraaienpootjes bij mijn ogen hebben gehad. Dan had ik misschien wel iets begrepen van mijn hyper-ultra-veel-te-moderne telefoon. Maar bovendien had ik dan gefietst in een andere tijd, in een ander peloton. Misschien, héél misschien, was ik wel het niveau van houtjetouwtjewielrenner ontstegen als ik nú nog had gekoerst.

Wielrennen heeft de afgelopen twintig jaar verschillende gezichten gehad. Begin jaren negentig werd een middel geïmporteerd in het peloton dat eigenlijk bedoeld was voor nierpatiënten. Epo heette het, en je ging ervan vliegen. Het werkte zo goed dat het alle andere soorten van doping in één klap degradeerde tot gepruts in de kantlijn. Er was een tijd dat je zonder epo geen fatsoenlijke uitslag kon rijden. Ik kan het renners van toen niet eens kwalijk nemen dat ze ook af en toe een spuit met wondermiddel in hun arm zetten – hoe moesten ze anders hun hypotheek betalen?

Dat veranderde in 1998, in de Tour de Dopage, toen het publiek, de media, de sponsors, justitie en politiek werden geconfronteerd met de dopingcultuur in het peloton. Er werd een sloot geld in dopingopsporing gepompt. De jaren erna werden tests ontwikkeld waarmee epo en aanverwante producten opspoorbaar waren, de frequentie van de controles ging omhoog, het bloedpaspoort werd ingevoerd, dopingnetwerken werden opgerold door politie en justitie. Al die maatregelen hadden succes. Steeds minder renners gebruikten doping. En de renners die gebruikten, deden dat met steeds kleinere hoeveelheden.

Ik heb in een tijd gekoerst waarin doping al een aardig eind op z’n retour was. Maar er waren genoeg renners (ploeggenoten, concurrenten) om me heen die wél epo of groeihormonen injecteerden. Dat durfde ik niet. Omdat ik bang was dat mijn kinderen worden geboren met vijftien vingers of een piemel op hun voorhoofd, maar vooral omdat ik niet gepakt wilde worden. Het ergste wat ik ooit heb gedaan, is een spuit met ijzer in mijn dijbeen. En ik had ook een soort Darth Vader-masker waarmee ik hoogtetraining kon nabootsen, maar dat viel niet onder doping.

Mijn hematocriet schommelde rond de veertig. Dat was niet bijzonder hoog, zeker niet toen ik in Spanje koerste. Ik reed geen deuk in een pakje boter, maar er waren gek genoeg wel grote ploegen in me geïnteresseerd. Zo vond Saunier Duval het bijzonder interessant dat ik met een laag hematocriet rondfietste – dan was er namelijk nog genoeg progressiemarge als ik wél epo zou gebruiken. Uiteindelijk kozen ze voor de teruggekeerde dopingzondaar Iban Mayo. En misschien maar goed ook – na meerdere dopingaffaires werd de ploeg opgedoekt.

De tijden zijn veranderd. Er wordt niet meer gevlogen. Fabian Cancellara reed dit voorjaar in Milaan-San Remo 52 seconden langzamer de Poggio op dan Laurent Jalabert eind jaren negentig. Op zo’n klein pukkeltje scheelt dat bijna 20 procent. De klimtijden op andere cols en heuveltjes geven hetzelfde beeld: het gaat langzamer en langzamer.

Ik vind mezelf geen slachtoffer. Allerminst zelfs. Ik heb in een tijd gekoerst waarin je geen doping hoefde te gebruiken om de top te halen. Ik heb alle kansen gehad om eruit te halen wat erin zat, en dat was simpelweg niet genoeg. Mekkeren over oneerlijke concurrentie doe ik ook niet – dan had ik zelf ook maar moeten gebruiken. Maar als ik mocht kiezen wanneer ik een jonge wielrenner zou willen zijn, dan wist ik het wel.

Nu.

Thijs is NRC-sportredacteur en oud-wielrenner.