Minder doping, klimmers trager

Als geletruidrager Bradley Wiggins acht jaar geleden in zijn huidige vorm de zware Pyreneeënritten had gereden die morgen en overmorgen in de Tour op het programma staan, zou hij minuten hebben verloren. Hij zou op achterstand zijn gezet door de toenmalige toppers. Renners klimmen tegenwoordig veel langzamer dan een paar jaar geleden. „Het gevecht in de bergetappes is weer menselijk geworden”, zegt Adrie van Diemen, Nederlandse trainer van de Amerikaanse ploeg Garmin-Sharp.

Uit gegevens van toprenners als Chris Froome (tweede in het klassement) en Vincenzo Nibali (derde) blijkt een duidelijk afgenomen snelheid bergop. Dat valt af te leiden uit het vermogen dat zij produceerden in de Alpen. Vorig jaar bleek het verschil in tijden al groot. Tourwinnaar Cadel Evans beklom Alpe d’Huez in 42.28 minuut. Marco Pantani zette in 1995 een tijd neer van 36.50 minuut – nog steeds het record. Ook zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong (37.36 in 2004) en Jan Ullrich (37.40 in 1997) reden onder de 38 minuten. Hetzelfde beeld is zichtbaar in de Giro en de Vuelta.

Oorzaak van de aanzienlijk langzamere klimtijden is het afgenomen gebruik van doping, gevolg van strengere dopingcontroles. Tourwinnaars Pantani, Ullrich en Armstrong fietsten in de jaren 90 en begin deze eeuw in het tijdperk van de epo. Dit prestatie bevorderende product gold als wondermiddel en kon niet worden ontdekt. Epo stimuleert de aanmaak van rode bloedlichaampjes en zorgt voor een beter uithoudingsvermogen. Sinds 2000 is er een deugdelijke epotest en zijn de controles opgevoerd.

„Jarenlang zag je onmogelijke scores”, zegt inspanningsfysioloog en wielertrainer Van Diemen. „Wat ik in deze Tour aan de getallen zie, is absoluut geloofwaardig. Renners komen tegenwoordig weer verrot boven.”