Met z'n allen naar de allerhoogste top

Deze zomer stijgt het aantal fatale bergsportongevallen in de Alpen zorgwekkend snel. Op de Mount Everest ziet het zwart van gefortuneerde hobbyisten die de tocht omhoog onderschatten.

Toen de wereldberoemde bergbeklimmer George Mallory in 1923 werd gevraagd waarom hij de nog nooit bedwongen Mount Everest wilde beklimmen, zei hij: ‘Because it’s there.’ De mens heeft een veroveringsinstinct, legde Mallory uit, en Everest representeerde de laatste nog niet geslechte grens. Wie verder wilde moest naar de maan.

Mallory zou in 1924 omkomen op Everest, ’s werelds hoogste berg die ook nu – meer dan een halve eeuw nadat Sir Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay de top bereikten – nog elk jaar levens eist. Maar daarmee houdt de vergelijking op.

Indertijd was Everest slechts toegankelijk voor zeer selecte gezelschappen, die bovendien politieke complicaties moesten overwinnen. Nepal hield de deur decennialang gesloten, de opstelling van Tibet was veranderlijk als het weer. Er waren jaren dat niemand zich aan de berg waagde. Na decennia van terughoudend vergunningenbeleid staan zowel China als Nepal inmiddels toe dat commerciële firma’s honderden goed betalende klanten de berg op te jagen, ongeacht ervaring en fitheid. Waar in het verleden klimmers pas boven de 8000 meter, in de zogeheten Zone des Doods, aan het zuurstof gingen, staan sommige hobbyisten nu al in het basiskamp extra zuurstof te puffen.

Eind mei sloeg de Duitse bergbeklimmer en berggids Ralf Dujmovits in The Guardian alarm. Toen hij op 18 mei zijn poging de top te bereiken moest afbreken, zag hij in de diepte een lange slang van tientallen klimmers en Sherpa’s die zich een weg omhoog zochten. „Er waren tegelijkertijd 39 expedities op de berg, met in totaal ruim 600 deelnemers”, aldus Dujmovits, die overigens ook zelf expedities organiseerde. „Nooit eerder heb ik Everest zo druk gezien.” Zes klimmers zouden op 19 en 20 mei omkomen, het dodelijkste weekend sinds op 11 mei 1996 liefst acht klimmers stierven. In de op die tragedie gebaseerde bestseller Into Thin Air (1997) nam journalist Jon Krakauer al stelling tegen de toename van het aantal hobbyklimmers op Everest. De moordende competitie tussen diverse aanbieders van expedities zou de veiligheidsvoorschriften zwaar onder druk zetten.

Met in totaal tien doden, en een veelvoud aan gewonden, lijkt in 2012 het probleem acuut te zijn geworden. Onder professionele bergbeklimmers ontstaat steeds meer weerstand tegen het commercieel uitbaten – of beter: uitbuiten – van Everest, en de resulterende filevorming. Volgens bergbeklimmer en avonturier Wilco van Rooijen, die de hoogste pieken op alle zeven continenten bedwong, is daardoor ook de veiligheid van goed voorbereide klimmers geding. „Professionals lijden onder de drukte, zonder enige twijfel. Zelfs diehards die zonder extra zuurstof klimmen. Er is een duidelijk limiet aan hoe lang je op die hoogte met zuurstofgebrek kan omgaan. Snelheid is, zonder het extra gewicht van zuurstofflessen, op zich geen probleem. Maar wél wanneer langzamere commerciële klanten, notabene bijgestaan door meerdere Sherpa’s die extra zuurstof dragen en aankoppelen, in de weg lopen.” Van Rooijen heeft weinig medelijden met commerciële klanten die omkomen. „Het is een risico dat ze welbewust nemen. Erger is dat ze authentieke, pure klimmers benadelen. Door ze de droom van de top te ontnemen of zelfs hun levens in gevaar te brengen.”

Alpinist Frits Vrijlandt bereikte in 2000 als eerste Nederlander de top van de Mount Everest via de lastige Noordgraat. Hij volbracht de zogeheten Seven Summits en is voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging. „Mijn grootste angst”,’zo herinnert hij zich, „was dat ik een klimmer in nood tegen zou komen. Dan zou ik me moreel verplicht gevoeld hebben te helpen – en zodoende mijn kans op de top te verspelen. Dat is gelukkig niet gebeurd, al zijn er vlak na mij wel twee klimmers in de noordwand omgekomen. Zelf heb ik niet zo heel veel problemen met rijke klimmers die zich laten begeleiden door Sherpa’s beladen met extra zuurstof. Veel gevaarlijker zijn onervaren klimmers die het geld er niet voor hebben, en toch mee omhoog gaan. Zonder zuurstof, zonder dragers.’

Worden de klachten van de professionals gestaafd door de cijfers? Op het oog lijkt de verhouding dodelijke ongelukken per geslaagde beklimming al decennia redelijk stabiel. Maar volgens een rapport in de British Medical Journal is juist die conclusie zorgwekkend. Waarom daalt de mortaliteit niet, nu de technische hulpmiddelen en kennis van de omgeving zo sterk zijn verbeterd? Sterker: de berg is aantoonbaar makkelijker geworden. Op haar flanken zijn steeds meer vaste touwen te vinden, en Nepal is begonnen met de aanleg van een weg over een moeilijk over te steken gletsjer. Het aantal doden zou geringer kunnen en móéten zijn. De voor de hand liggende conclusie: er is te weinig aandacht voor de fysieke gesteldheid van klimmers.

Als het aan Van Rooijen ligt wordt het gebruik van extra zuurstof op Everest verboden. „Dan wordt direct het kaf van het koren gescheiden en is het gedaan met de drukte. De kans dat het gebeurt is helaas miniem: zowel Nepal als China verdienen een vermogen aan maffe Westerse klanten die zich de berg op laten loodsen. De massa wil nu eenmaal het avontuur van de topsporter zonder daar de jaren van fysieke training in te willen investeren.”

Vrijlandt pleit voor een vergunningensysteem op basis van ervaring. Vooral de wijze waarop een lichaam reageert op hoogte is belangrijk, zegt hij. Afgezien van ongelukken is hoogteziekte – het ophopen van vocht in brein of longen – de belangrijkste doodsoorzaak op Everest. „Laat zien dat je elders al boven zevenduizend meter bent geweest. Het is belangrijk dat je als klimmer extreme hoogte ervaren hebt en weet wat het met jouw lichaam doet. Er zijn nu klimmers die met weinig ervaring – alsof het een dagje uit is – de berg opgaan. Volslagen onverantwoord. Via de commissie voor expedities proberen we NKBV-leden zo goed mogelijk te informeren over de risico’s. Everest is géén wandeling in het park.”

Maar Vrijlandt ziet ook dat een deel van de klachten is ingegeven door een romantisch verlangen. Ooit was de berg het domein van de echte klimmer, nu is ze publiek bezit. „Dat is vervelend. Toch kunnen professionele klimmers de berg niet voor zichzelf opeisen, net zo min als ze alleenrecht hebben op de Matterhorn of de Mont Blanc, die in de zomer evengoed druk zijn. Ik ben het eens met de befaamde alpinist Reinhold Messner: echt goede klimmers moeten, als ze zo’n probleem hebben met de drukte, zichzelf uitdagen door een moeilijkere, nieuwe route te kiezen. Hoe druk Everest ook is, er zijn altijd routes te vinden waar vrijwel niemand komt.”

AUKE HULST