Is er naast zorg tijd voor werk?

De vraag of een dwarslaesiepatiënt van zorg uit zijn eigen ‘netwerk’ gebruik kan maken, is niet economisch, maar moreel, vindt Jacob Zuurmond. Berg en Canoy berekenen de kosten verkeerd. Duitse ouderen liggen vaker in het ziekenhuis, stelt Marijke van der Vaart.

Marc Berg en Marcel Canoy stellen een grondige hervorming voor van de toepassing van de AWBZ voor ouderen en gehandicapten (Opinie, 9 juli).

Ik weet niet of ik oud kan worden genoemd met mijn 59 jaar, maar gehandicapt ben ik zeker, als gevolg van een (partiële) dwarslaesie. Daarom heb ik ruime ervaring in de langdurige zorg, als ‘cliënt’, en ik herken direct het belang van het artikel van beide heren. Inderdaad zijn er verkeerde financiële prikkels en verstoren institutionele belangen een oplossingsgericht gesprek over het oplopende beroep op de gezondheidszorg. Toch stoort het artikel mij, vanwege één van de genoemde oplossingen: dat de ‘cliënt’ meer gebruik moet maken van zijn of haar netwerk, in het bijzonder de familie. Dit zou humaan zijn.

Ten eerste vraag ik me af wie beide heren zijn om mij af te rekenen op mijn al of niet humane methode om een ernstige ziekte te overwinnen. In deze strijd – want dat is het – heb ik gelukkig kunnen leunen op mijn werkgever, mijn familie en mijn vrienden, maar ook op professionele artsen, therapeuten en verpleging. In alle gevallen vooral omdat ze mij niet zozeer beschouwden als ‘cliënt’ of onderdeel van hun ‘netwerk’, maar als een individu dat wanhopige pogingen deed grip te krijgen en te houden op zijn eigen leven.

Het is essentieel dat je zelf kunt bepalen in welke mate je de hulp vraagt van je ‘netwerk’. De vraag of je je kinderen – en zo ja: in welke mate – met jouw handicap moet belasten, is een ingrijpende, ook morele vraag. De vraag of je je partner zozeer met jouw handicap moet belasten dat deze (veel) minder tijd heeft voor haar werk, is dat evenzeer. De benadering van beide heren gaat aan dit soort morele dilemma’s voorbij. Dit is niet zo vreemd. Moraliteit en economie zijn geen vanzelfsprekende partners, om het voorzichtig te zeggen.

Ten tweede vraag ik mij af hoe Berg en Canoy kunnen concluderen dat de AWBZ ingrijpend moet worden hervormd (‘alles’ doen ‘we’ immers fout). In het artikel noemen ze evenwel enkele goede voorbeelden. De eenvoudige toepassing van het popperiaanse principe van falsificatie zou in dit geval direct moeten leiden tot afwijzing van de conclusie van beide heren. De hooggeleerde heer Canoy zou dit moeten weten.

Het zou de zaak van de gezondheidszorg dienen om de moraliteit niet uitsluitend te benaderen in het verlengde van de economie (veelal als schaamlap voor bezuinigingen), laat staan om haar te laten bepalen door economen. Het zou een bevrijding zijn om te kunnen leunen op professionals die werkelijk ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen, binnen redelijke grenzen van morele vrijheid voor de ‘cliënt’. Pas dan zal de gezondheidszorg veranderen. Het één (ruimte voor individuele, morele afwegingen) kan niet zonder het ander (ruimte voor de professional). Pas dan ontstaat er een relevant gesprek.

Ik besef als geen ander dat het maatschappelijke gesprek over het toenemende beroep op de gezondheidszorg ingewikkelder wordt door ervoor te pleiten ook de morele aspecten aan de orde te stellen – maar liever ingewikkeld dan irrelevant.

Jacob Zuurmond is zzp’er.