Ik stond op het punt racist te worden

Tijdens de apartheid maakte Paul Simon in Zuid-Afrika het album Graceland met zwarte artiesten. Is hij neo-kolonialist of idealist? Een film zoekt antwoord. Morgen speelt Simon in de Ziggo Dome.

Correspondent Zuid-Afrika

Het begon allemaal met het mysterieuze cassettebandje Gumboots: Accordion Jive Hits Vol. II. Vanaf de dag dat Paul Simon dit bandje in handen kreeg in 1984, wilde de muzikant op zoek naar de oorsprong van die aanstekelijke Afrikaanse melodieën. Maar om met in Amerika volslagen onbekende acts als de ‘Boyoyo Boys’ of ‘General M.D. Shirinda and the Gaza Sisters’ in contact te komen, moest hij in de heetste dagen van de apartheid naar Zuid-Afrika afreizen.

Veertien miljoen exemplaren werden er van Graceland verkocht. Het album met klassiekers als You Can Call Me Al en Diamonds on the Soles of her Shoes wordt nog altijd geroemd als een van de beste van de jaren tachtig. Graceland zorgde en passant voor de internationale doorbraak van het Zuid-Afrikaanse a-capellamannenkoor Ladysmith Black Mambazo en maakte Afrikaanse invloeden in mainstream popmuziek salonfähig: zonder Graceland geen Vampire Weekend.

„Ik wist precies wat zich daar politiek afspeelde”, zegt Simon aan het begin van Under African Skies, een nieuwe documentaire over de totstandkoming van zijn legendarische album. Maar niet veel later in de film erkent hij dat hij eigenlijk geen idee had. Met grote gevolgen.

De documentaire mengt beelden van de studiosessies en de tour in de jaren tachtig met een reünie van Simon en de Zuid-Afrikaanse artiesten eind 2010 in Johannesburg. Rode draad blijft de vraag of Simon destijds wel naar Zuid-Afrika had moeten gaan. Het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) was in 1985 als ‘terroristische organisatie’ nog verboden, Nelson Mandela zat in het gevang en de aan het ANC gelieerde lobbygroep ‘Artists Against Apartheid’ moest niets van Simons bezoek hebben.

De zwarte artiesten met wie hij samenwerkte, wilden hem dolgraag ontvangen, heeft Simon altijd gezegd. Voor een eenmalig concert in de Zimbabweaanse hoofdstad Harare leerde Simon op aanraden van zangeres Miriam Makeba zelfs de tekst van Nkosi Sikelel’iAfrika, het officiële strijdlied van het ANC.

Met de apartheidsstaat had hij „niets te maken”, verklaarde Simon destijds in interviews. Maar voorafgaand aan zijn bezoek weigerde hij ook om zich publiekelijk tegen het apartheidsbewind uit te spreken. Een advies van zanger Harry Belafonte om eerst het ANC te consulteren, sloeg hij in de wind. Het bezoek was daarmee volgens critici een schending van de door de Verenigde Naties ingestelde sancties tegen Zuid-Afrika. In een poging het minderheidsregime te isoleren, moest iedere „culturele, wetenschappelijke, sportieve en andere uitwisseling” vermeden worden.

„Simon had misschien geen verkeerde intenties”, zegt Dali Tambo, destijds vanuit Londen de drijvende kracht achter Artists Against Apartheid en nu succesvol zakenman te Johannesburg, „maar bij een boycot is het alles of niets. Je kunt niet voor één artiest een uitzondering maken.”

In een ietwat krampachtig gesprek proberen Simon en Tambo, zoon van wijlen ANC-voorman O.R. Tambo, in de documentaire duidelijk te maken wat hun positie was: Simon wilde slechts muziek maken, Tambo zegt dat een apolitieke stellingname toen onmogelijk was: „Als je daarheen gaat, word je deel van de pogingen van het apartheidsregime om internationale legitimiteit te krijgen.” De artiesten met wie Paul Simon samenwerkte, herhaalt Tambo keer op keer, „waren niet vrij”.

Ondanks een stevige omhelzing aan het eind van de film laat Simon zich niet door Tambo overtuigen in de film. Hij ging naar Johannesburg met de beste bedoelingen. Anders dan bijvoorbeeld Elton John, Queen of operazangeres Kiri Te Kanawa kwam hij niet om voor een publiek van geprivilegieerde blanken op te treden. Dergelijke schnabbels had hij al twee keer afgewezen.

Maar, anders dan Peter Gabriel (Biko) of Stevie Wonder (It’s Wrong) was Simon ook niet van plan een protestsong op te nemen of zich politiek uit te spreken. Hij wilde maar één ding: via een gedurfde muzikale samenwerking de opzwepende ‘township jive’ of ‘mbaqanga’ ontsluiten voor de buitenwereld. De eenvoudige Afropop-deuntjes, met energieke beat, strakke gitaarloopjes en snerpende accordeons, deden hem denken aan de rock-’n-roll uit zijn eigen jeugd in de VS, zei hij in een interview met het tijdschrift Rolling Stone. Zijn carrière zat in het slop, erkent hij eerlijk in de documentaire, en zonder een hijgende platenmaatschappij in de nek kon hij zo lang als nodig werken aan een nieuw album waarover hij echt tevreden was.

Dat begon met tien dagen Johannesburg, waar hij niet alleen General Shirinda en de Gaza Sisters (die van de exotische kreten in I know what I know) liet opdraven, maar ook muzikanten als de op Graceland niet te missen gitarist Ray Phiri en bassist Bakithi Kumalo. Enkele nummers op Graceland zijn in feite covers van songs van Phiri en anderen, licht verwesterd en van surrealistische teksten voorzien door Simon. Mede dankzij Simon braken zij later internationaal door. Kritiek uit linkse hoek dat Simon als „muzikale kolonisator” of „Livingstone van de jaren tachtig” de zwarte muziek kwam afpikken, doet Phiri van de hand. „Ik had niet het gevoel dat hij me gebruikte”, zei hij onlangs in een interview. „Mijn muziek ontdekte hem, niet andersom.”

Maar de sfeer in het land bleek in 1985 gespannen, geeft Simon toe in de film. En al stralen de beelden in de studio van de onnozel ogende Amerikaan tussen de dollende Zuid-Afrikanen vooral plezier uit, zelfs muziek maken was niet waardevrij. „Zie je wel, ze kunnen het gewoon niet”, zegt een blanke technicus als de Boyoyo Boys hun riffjes niet geoefend hebben. Simon stond, voordat de briljante Phiri arriveerde, naar eigen zeggen „op het punt racist te worden”.

Simons vrienden Paul McCartney, componist Philip Glass en een batterij bekende Afro-Amerikanen (Whoopy Goldberg, Oprah Winfrey, Quincy Jones) mogen in de mede door Simons broer Eddie geproduceerde documentaire allemaal vertellen wat een mijlpaal het album is geweest. Ook de zwarte Zuid-Afrikaanse muzikanten zijn louter complimenteus en vinden, met Simon, dat kunstenaars zich niet voor karretjes van politici moeten laten spannen. Tussen al dit enthousiasme komt de kritiek van Tambo en ANC-huisdichter Wally Serote wat zuur over. De film gaat ook niet in op hun veronderstelling dat het blanke regime het bezoek van Simon gebruikte.

Want dat was wel wat gebeurde, schreef de Amerikaans-Zuid-Afrikaanse muziekwetenschapper Louise Meintjes al jaren geleden in een analyse: Graceland werd het favoriete album op de radiozenders van het apartheidsregime om, zoals Rolling Stone in 1987 suggereerde, te laten zien „dat het land niet geïsoleerd is van de internationale gemeenschap en dat raciale samenwerking ondanks de apartheid mogelijk is”.

Maar het door de staat omarmde succes van Graceland had een paradoxaal neveneffect: niet eerder klonk op de blanke radio ‘etnische’ muziek. De buitenlandse successen van de a capella groep Ladysmith Black Mambazo, dat later enkele Grammy Awards won, en Ray Phiri’s band Stimela werden opeens breed uitgemeten in de pers als toonbeeld van hervormingen waarmee het apartheidsregime in zijn nadagen goede sier probeerde te maken. Daarmee werd Simons multiculturele project opeens politieker dan hij ooit voorzien kon hebben.

Uiteindelijk vertelt Under African Skies vooral het verhaal van Simon, zegt Dali Tambo in Johannesburg. „Het zat hem blijkbaar nog altijd dwars wat toen gebeurd is.” En terwijl de protestsongs van Peter Gabriel en Stevie Wonder anno 2012 gedateerd overkomen, heeft Graceland de tand des tijds doorstaan. „Prachtige muziek, dat vind ik ook”, erkent Tambo. „En wat telt is dat we nu vrij zijn, ondanks mensen als Paul Simon.”

De documentaire Under African Skies wordt vandaag door de VPRO uitgezonden op Nederland 2, 22.45u. Paul Simon en Ladysmith Black Mambazo treden morgen op in de Ziggo Dome in Amsterdam; op 19 juli wordt de documentaire in bijzijn van Simon vertoond in Tuschinski. De film zit als dvd bij de dit jaar verschenen jubileumeditie van Graceland.