Het is officieel: burgeroorlog in Syrië

Het Rode Kruis heeft het conflict in Syrië formeel tot burgeroorlog verklaard. Vanaf nu zijn strijders geen burgers meer en worden burgers meer beschermd.

Redacteur Midden-Oosten

Rotterdam. Het oorlogsrecht of internationaal humanitair recht – verankerd in de Geneefse Conventies van 1949 – is nu formeel van toepassing in Syrië. Dat vloeit voort uit de constatering van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) dat de bloedige opstand in Syrië (de afgelopen zestien maanden zeker 15.000 doden) een burgeroorlog is. „We spreken nu van een niet-internationaal gewapend conflict in het land”, zei een woordvoerder van het ICRC zondag in het hoofdkwartier in Genève. Het ICRC is neutraal en komt in principe zelfstandig tot zijn oordeel.

De aankondiging van het Rode Kruis brengt mee dat nu duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen burgers en strijders, en tussen burgerdoelen en militaire doelen. Burgers moeten te allen tijde beschermd worden. Syrië is zoals alle staten in de wereld partij bij de Geneefse Conventies.

„Totdat een conflict als een interne oorlog wordt aangemerkt, wordt aangenomen dat iedereen [die geen militair is, CR] burger is. Maar in het oorlogsrecht is het doodschieten van strijders niet verboden”, zegt professor Liesbeth Zegveld, hoogleraar Internationaal Humanitair Recht aan de Universiteit Leiden telefonisch. Het recht op leven is niet absoluut in het oorlogsrecht, aldus Zegveld. „Een conflict mag worden gewonnen. Kijk naar de ‘Oorlog tegen terreur’ waarin de Verenigde Staten ervan uitgaan dat tegenstanders mogen worden gedood.”

Dat wil niet zeggen dat de gewapende oppositie nu zonder meer mag worden afgeslacht door het wettig gezag. „Als met opzet en op slinkse wijze zonder waarschuwing vooraf rebellen worden omgebracht, blijft dat een oorlogsmisdrijf”, zegt professor Nico Schrijver, hoogleraar volkenrecht in Leiden, in een telefonische toelichting.

Syrische troepen richtten donderdag een bloedbad aan in het dorp Tremseh bij Homs, waar volgens de oppositie circa honderd doden en volgens het regime in Damascus 36 doden vielen. Aanvankelijk werd gesuggereerd dat het om burgers ging die door een pro-regeringsmilitie uit de buurt waren afgeslacht. Maar volgens waarnemers van de Verenigde Naties in Syrië, die Tremseh hebben bezocht, zijn in elk geval de meesten van de slachtoffers deserteurs en rebellen. Er zijn aanwijzingen dat het bloedbad het resultaat is van een gevecht tussen leger en rebellen, waarbij het leger een groot overwicht had.

Om te zien of het hier volgens het oorlogsrecht al dan niet om een oorlogsmisdrijf gaat, zijn meer feiten nodig, zegt Schrijver. „Er wordt vaak te snel geoordeeld hoe het zit. Daarom is de aanwezigheid van VN-waarnemers heel belangrijk.”

Als rebellen mogen worden gedood, zou dat in theorie in het voordeel van het regime kunnen zijn. Maar het werkt naar twee kanten, zegt Zegveld. „Het geeft ook de wederpartij het recht de andere partij uit te schakelen.”

Schrijver wijst er in dit verband op dat het regime van president Bashar al-Assad hoe dan ook al zijn gang ging. „Nu heeft de internationale gemeenschap een meetlat waarlangs ze de daden van het regime kan houden. Er zijn meer schijnwerpers.”

Libië werd vorig jaar maart tijdens de opstand tegen het bewind van Gaddafi eveneens in staat van burgeroorlog verklaard door het Internationale Rode Kruis. Dat trok destijds weinig aandacht, volgens Schrijver omdat de VN-Veiligheidsraad het ruimere begrip Verantwoordelijkheid om te Beschermen (Responsibility to Protect, R2P) van toepassing verklaarde.

Volgens dat principe moet de internationale gemeenschap in actie komen als de nationale overheid haar plicht verzaakt om de bevolking te beschermen. Dat leidde destijds tot de luchtsteun van de NAVO aan de rebellen en uiteindelijk tot de val van Gaddafi’s regime. R2P is tot dusverre in de Veiligheidsraad niet aan de orde gesteld inzake Syrië.