Het gevecht in de bergen is weer menselijk geworden

Jarenlang konden toprenners in de bergen minuten verschil maken. Nu er minder doping wordt gebruikt neemt de snelheid bergop af. Renners komen weer verrot boven.

De Alberto Contador van 2009 of de Lance Armstrong van 2004 hadden deze Tour de France nog spannend kunnen maken, in de twee zware Pyreneeënetappes van de komende twee dagen. Met hun scores in de cols hadden ze de huidige geletruidrager Bradley Wiggins op minuten kunnen rijden. Maar de huidige toppers ontlopen elkaar bergop niet veel. Meer dan secondenspel levert hun strijd in de bergen vaak niet op. En ze klimmen veel langzamer dan de toppers van een paar jaar geleden. „De renners komen weer verrot boven”, zegt trainer Adrie van Diemen van de Amerikaanse Garminploeg. „Het gevecht in de bergetappes is weer menselijk geworden.”

Wielrennen op de weg is geen sport van tijden en records, zoals atletiek of schaatsen. De Tour is geen 100 meter sprint. Steeds weer andere parcoursen, andere tactiek, ander weer. Slechts sporadisch worden tijden geklokt op de laatste klim van een bergrit. Met als meest opvallende uitkomst dat de renners de laatste paar jaar aanzienlijk langzamer klimmen dan voorheen. Vorig jaar kwam Tourwinnaar Cadel Evans op Alpe d’Huez niet onder de 42 minuten. Ter vergelijking, de tijden die de Franse sportkrant l’Equipe registreerde: wijlen Marco Pantani reed in 1995 een tijd van 36.50 minuut, nog altijd het record, Armstrong (37.36 in 2004) en Jan Ullrich (37.40 in 1997) scoorden ook onder 38 minuten. Hetzelfde beeld is zichtbaar op andere Tourcols en in Giro of Vuelta.

Door de strengere dopingcontroles? Van Diemen: „Jarenlang zag je onmogelijke scores. Wat ik in deze Tour aan de getallen zie, is absoluut geloofwaardig.” Klimtijden om te vergelijken zijn er dit jaar nauwelijks. Klassieke aankomsten bergop – zoals Alpe d’Huez of Mont Ventoux – ontbreken. Morgen eindigt een Pyreneeënrit over vier cols met de afdaling van de Peyresourde, donderdag is de aankomst wel bergop – voor de eerste keer op de Peyragudes. Geen tijden, maar getallen zijn er wel.

„De snelheid bergop wordt bepaald door het gemiddelde vermogen dat een renner produceert gedeeld door zijn lichaamsgewicht”, legt Van Diemen uit. De vermogensmeter die de meeste renners op hun fiets hebben, sommigen met GPS, liegt niet. Op de watt nauwkeurig is bekend hoeveel vermogen wordt geleverd in de cols. En hier en daar komen scores naar buiten, via Twitter bijvoorbeeld. Christopher Froome eindigde vorige week als derde op La Toussuire, de enige aankomst bergop in de Alpen, en haalde 6,1 watt per kilogram. De Italiaan Vincenzo Nibali meldde een uitkomst van 5,62. Ter vergelijking: Armstrong haalde in zijn toptijd op vergelijkbare beklimmingen scores van rond de 6,7 watt per kilogram. Tijdens zijn eindeloze trainingssessies in het Spaanse Girona probeerde hij zelfs de ‘zeven’ te halen. Wie dat kon, won de Tour. Marco Pantani, minder dan zestig kilo, kon het bij zijn Tourzege in 1998. Van eerdere Tourwinnaars als Miguel Indurain (1991-1995) en Bjarne Riis (1996) is bekend dat ze soms meer vermogen leverden dan Armstrong (1999-2005), maar door hun zwaardere lijf minder snel klommen.

„Een gemiddeld vermogen van meer dan 6,2 watt per kilogram op een klim van meer dan drie kwartier is niet geloofwaardig”, sprak de beroemde Italiaanse wielertrainer Aldo Sassi, die in 2010 overleed. Een hogere score duidde op doping, stelde de trainer van onder meer Evans en Ivan Basso. De Italiaan reed in de Giro van 2010 op de steile Zoncolan 1.45 minuut langzamer dan zijn landgenoot Gilberto Simoni in 2007. Voor Sassi het bewijs dat de sport schoner werd. Van Diemen test met de Garmin-renners, onder wie Girowinnaar Ryder Hesjedal, in Girona op een vaste klim van een half uur. „De beste renners halen dan 6,1 watt per kilogram. Ver boven de 6,2 wordt het bedenkelijk.”

En de superieure Sky-trein van Wiggins, Froome, Richie Porte en Michael Rogers? Die scoorde 6,47 watt per kilogram in de eerste aankomst bergop van deze Tour, La Planche des Belles Filles in de zevende rit. „Kan niet”, was de eerste reactie van de Franse trainer Antoine Vayer, die in 2009 de torenhoge score van Contador betwistte op de klim naar Verbier: 7,03. Een kiem voor dopinggeruchten bij Sky was gelegd.

Maar Van Diemen schrikt niet van 6,47 watt per kilogram. „Dat was een vrij korte klim van rond de zestien minuten. Hoe korter de inspanning, hoe hoger de score kan zijn. Op hele korte klimmetjes halen explosieve mannen als Peter Sagan gerust boven de 7,5. Je hoeft het dan minder lang vol te houden. In grafieken zie je de scores ook teruglopen bij inspanningen van meer dan een half uur.”

Topscores uit het verleden worden niet meer gehaald, constateert ook Michele Ferrari op zijn website 53x12. De omstreden Italiaanse arts en wondertrainer, die onder meer werkte met Armstrong, heeft nog een getal om de scores bergop te vergelijken: de VAM-waarde (Velocità Ascensionale Media). Die geeft aan hoeveel hoogtemeters per uur een renner overwint. Ook daar zien we een afname. In de Dauphiné mat hij voor de Skytrein van Wiggins op de Joux Plane een score van 1.684. Armstrong en Contador kwamen regelmatig boven de 1.800, Simoni haalde op de Zoncolan 2007 zelfs 1.850.

Skymanager David Brailsford wilde gisteren in Pau niet veel kwijt over de scores bergop. „Wij meten in tests alleen watt per kilogram in een vaste tijdsduur van 20 minuten. Al het andere zegt mij niet zoveel.” Gaan zijn renners de ‘zes’ nog halen? „De toppers zullen elkaar niet veel ontlopen qua watt per kilogram.”

Dus wordt het een secondenspel.