De Bovenbazen (53)

Heer Bommel was bezig op ongeschoolde wijze herfstbladeren aan te harken. Het helpt niet, dacht hij moedeloos. Bij ieder windje vallen er meer. En het waait maar. Ach, dit is geen werk voor een heer van mijn stand; ik wilde maar dat Joost terug was. Het leven van een bovenbaas is moeilijk als hij alleen is…

Op dat moment passeerde er een wandelaar. De energiekoning keek op en toen hij zag dat het Tom Poes was, onderdrukte hij een groet en zuchtte.

‘Een bovenbaas is altijd alleen,’ vervolgde hij tobberig. ‘Met minvermogenden mag hij niet omgaan. Dat zou het geldwezen in gevaar brengen. Maar…’

‘Dag heer Bommel,’ zei Tom Poes.

‘Dag jonge vriend!’ riep heer Ollie oplevend. ‘Kom je even binnen? Dan zal ik thee zetten.’

Tom Poes schudde echter het hoofd.

‘Een gram Solium geeft veel energie,’ zei hij terloops. ‘Maar het kost een groot stuk natuur.’

‘Ik weet het!’ gaf heer Bommel toe. ‘Ik weet het. Maar een kopje thee…’

‘Daarnet heb ik met Kwetal gesproken,’ hernam Tom Poes. ‘Die heeft een toestelletje dat eeuwig kan draaien. Op niets! Leuk, hè?’

Hij knikte vriendelijk en hervatte zijn wandeling, zodat heer Ollie opnieuw alleen was. De bladeren vielen ritselend om hem heen; maar hij had geen aandacht meer voor het herfstgebeuren. Er was een trek op zijn gelaat verschenen die van diep nadenken getuigde en hij leunde zwaar op zijn hark.

‘Eeuwig draaien,’ sprak hij stil tot zichzelf. ‘Op niets. Maar dan… Wacht eens! Bedoelt de jonge vriend soms… Natuurlijk! Ik begrijp al wat hij bedoelt!’