Zowel Marcel Möring als Das Magazin volgt slaafs de markt

Marcel Möring klaagde in deze krant over de bestsellercultuur. Maar Das Magazin, dat zich ook in nrc.next voorstelde, is evenmin verrassend, vindt Jan-Willem Anker.

Vorige week vrijdag publiceerde nrc.next in een speciale bijlage ‘een selectie van de beste verhalen uit de eerste twee nummers’ van het jonge literaire tijdschrift Das Magazin. Ook verscheen er op de cover een artikel van schrijver Marcel Möring over de trieste staat waarin de Nederlandse roman verkeert. Het kwam op mij over als een eigenaardige, tamelijk schizofrene manoeuvre om enerzijds jubelend een literair katern te beginnen en tegelijkertijd in dezelfde editie van de krant een schrijver aan het woord te laten die meent dat er geen interessante Nederlandse romans meer gepubliceerd worden. Maar dit curieuze gezelschap gaf gewild of ongewild een aardig inzicht in de politiek-economische dimensie van de Nederlandse literatuur.

Om met Möring te beginnen: in zijn bevoogdende, obligate stuk betoogt hij dat Nederlandse schrijvers zich te veel conformeren aan wat een door hem niet nader gespecificeerd vrouwvolk wenst te lezen. Dat komt volgens Möring omdat schrijvers (en hun uitgeverijen) slechts veel poen willen verdienen met hun romans. Komt deze klacht u bekend voor? Dat kan, want deze is al heel vaak, veel beter, veel genuanceerder en met veel meer kennis van zaken verwoord. Maar dat maakt de constatering niet minder waar. Graag geef ik Möring gelijk dat de pluriformiteit van de literatuur momenteel onder druk staat. Echter, dankzij de vaste boekenprijs en het Nederlands Letterenfonds, het overheidsloket waar Nederlandse auteurs nog altijd subsidieaanvragen kunnen indienen, hebben artistiek vooruitstrevende maar nauwelijks verkopende auteurs nog steeds een kans om uitgegeven te worden. Het Letterenfonds wordt weliswaar fors gekort, maar het is Ruttes rancuneuze knecht Zijlstra niet gelukt om het helemaal weg te bezuinigen. Daar ben ik blij om (maar alleen een klein beetje want het is blijdschap om afgewend gevaar). Bovendien is er in september een (soort van) kans om voor een parlement te kiezen dat kunst en literatuur ook tijdens een economische crisis wenst te ondersteunen.

Het is jammer dat Möring het allemaal zo somber inziet (niemand houdt van een kniesoor). Maar ondanks zijn somberheid voegde hij aan zijn stuk een toptien van ‘gevaarlijke’ en experimentele romans toe. Een lijstje: het middel bij uitstek om de consument te prikkelen. Het lijkt alsof bestsellerauteur Möring eens even flink in de hand heeft gekakt die hem voedt maar not to worry: zijn afschuw van de markt is schijn. Zijn betoog is eigenlijk een promotekst voor een essay dat in september dit jaar moet verschijnen en dat naar het zich laat aanzien weinig zal bevatten dat niet al eerder en beter is gezegd.

Gelukkig zijn er in Nederland ‘literatuurfanatici’, zoals Rob Wijnberg ze noemt, die zich niets aantrekken van de culturele malaise en geestdriftig een literair tijdschrift beginnen, getiteld Das Magazin. Maar dan wel een literair tijdschrift 2.0. Niks marge, niks romantiek van de anonimiteit maar media-aandacht en verkoop. Knallen! Een Duitse titel, want dankzij Berlijn begint de Duitse taal hip te worden. De oprichting van het tijdschrift genereerde onder meer veel aandacht omdat het door middel van crowdfunding gefinancierd werd. In diverse media werd de indruk gewekt dat het inmiddels demissionaire kabinet gezien het succes van Das Magazin misschien toch wel een punt had gehad door zo hard op de kunstsubsidies te bezuinigen.

Zoals gezegd, het beste van twee edities Das Magazin verscheen afgelopen vrijdag als katern in nrc.next. Maar echt veel interessants stond er niet in, op de mooie, politieke parabel van dichter Nyk de Vries na. Verder vooral veel jongetjes met stoere praat, plat realisme voorzien van een vleugje metabewustzijn en een bijdrage over wasknijpers van Hanna Bervoets die haar rol als excuustruus glansrijk vervult.

Het verhaal gaat dat het idee voor Das Magazin ontstond tijdens ‘een melige bui’ op het Boekenbal. Met andere woorden: blasé from the start, en provinciaal op een manier zoals dat alleen in Amsterdam mogelijk is. Bovendien lopen de initiatiefnemers volledig in de pas met de ideologie van de vrije markt (in Nederland betekent dat: de ideologie van de VVD). Eigenlijk is het heel jammer dat Das Magazin niet een tijdje anoniem heeft geopereerd, om verstopt in de zelfgeschapen subcultuur langzaam tot wasdom te komen (om daar wellicht als een heel goed blad ook te blijven). Maar dat kon niet. Zonder crowd per slot van rekening geen funding. En zo heeft het tijdschrift zich volledig afhankelijk gemaakt van een groot maar grillig publiek dat zich makkelijk van het tijdschrift kan afkeren. Dat levert vooralsnog weinig literatuur op.

Wat deze combinatie van Möring en Das Magazin mooi laat zien, is dat schrijvers op dit moment met een economische realiteit worden geconfronteerd die enerzijds hun bestaan bedreigt (Möring) en hun anderzijds kansen biedt (Das Magazin).

Vernieuwing (of verandering, zo je wilt) in de literatuur is – zo vermoed ik al enige tijd – momenteel vooral te verwachten van schrijvers die toegankelijk zijn voor een groot publiek. Avant-garde en vormvernieuwing worden aan het zicht onttrokken door werken gevuld met burgerlijk sentiment en de kleine cabareteske, persoonlijke verwondering over het eigen leventje. Niet de progressieve, experimentele krachten bepalen steeds meer het aangezicht van de literatuur maar de conservatieve, behoudende krachten.

Ook in de poëzie is die ontwikkeling al geruime tijd zichtbaar. Zo pleit de voor deze krant columnerende dichter Ilja Leonard Pfeijffer al zeker tien jaar vergeefs voor ‘gevaarlijke poëzie’ (inderdaad, Möring heeft zijn terminologie zeker niet zelf bedacht). Voor de duidelijkheid: dat is niet poëzie waar je een gratis steekwapen bij geleverd krijgt, maar poëzie die je op levensbeschouwelijk niveau onzeker maakt. Aan het begin van de eeuw verzette Pfeijffer zich tegen de verstaanbare poëzie van dichters die succes genoten op het podium. Maar die verstaanbare podiumdichters hebben het pleit al lang en breed in hun voordeel beslecht. Zo ging bijvoorbeeld de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut dit jaar nog naar een podiumdichteres.

Toegegeven, van mij mag het ook wel wat minder met die burgerlijke kost. Het is daarom van belang de pluriformiteit van de literatuur te verdedigen en daar zelf aan bij te dragen. Niet alleen als schrijver maar ook als lezer en liefhebber. Het is goed om dit nog maar eens te herhalen: deze pluriformiteit van de literatuur vindt in het nog altijd vigerende vrijemarktdenken een geduchte vijand (net zoals de gezondheidszorg, de woningmarkt, de energiemarkt, het milieu, het openbaar vervoer en zelfs het leger door het vrijemarktdenken bedreigd worden). Daarom dient de literatuur institutioneel gewaarborgd te worden.

Op twaalf september kan iedereen daar zijn/haar bescheiden invloed op uitoefenen. Wie ook maar enige waarde hecht aan een diverse, veelzijdige literatuur weet in elk geval op welke partij hij/zij dan niet moet stemmen. Het is niet alleen mijn tragiek dat ik niet weet bij welke partij je dan wel terecht kunt.