Toezicht op financiële sector lost niet alles op

Pas als het eb wordt zie je wie er geen zwembroek aan heeft, aldus de Amerikaanse meesterbelegger Warren Buffett. Dat geldt zeker ook voor het laagtij in het vastgoed. Veel aanbieders blijken het kledingstuk te zijn kwijtgeraakt of hebben het misschien wel nooit aangetrokken.

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) maakte afgelopen donderdag bekend het toezicht te verscherpen op de branche. Het belang is groot: 60.000 particulieren hebben samen 5,5 miljard euro in dergelijke beleggingen gestoken, vaak gelokt door gegarandeerde rendementen en terugbetaling van hun hoofdsom.

Het ziet ernaar uit dat, afgezien van regelrechte fraude, veel beleggers het slachtoffer zijn van een vastgoedstrategie die alleen bleek op te gaan bij hoogtij. De grootste crisis in het vastgoed in zeker dertig jaar, met een recordleegstand op de kantorenmarkt, maakt nu slachtoffers.

Het patroon is inmiddels bekend: particulieren en bedrijven steken in goed vertrouwen hun spaargeld of tegoed in financiële producten, komen bedrogen uit en vervolgens klinkt de roep om meer en verscherpt toezicht. Dat geldt voor woekerpolissen, ingewikkelde en onnodige verzekeringen, spaarrekeningen bij banken die wankel blijken, veel te complexe derivatenconstructies.

Het geldt zelfs, sinds 2008, voor de complete bankensector. Niet alleen in Nederland, maar ook in Europa en in de Verenigde Staten nemen de zwaarte en reikwijdte van het toezicht op de financiële sector toe. Nog eind vorige maand spraken de landen van de eurozone af om de banken onder een verzwaard en gemeenschappelijk Europees toezicht te stellen. Daags daarna werd de sector opgeschrikt door het schandaal van het manipuleren van de Libor-rente.

De AFM pleit ervoor het vergunningenbeleid voor vastgoedbeleggingen aan te scherpen. Dat is op zichzelf een logisch voornemen. De taken van de organisatie zullen er wederom zwaarder door worden. Maar de balans begint wel enigszins zoek te raken. De afgelopen kwart eeuw heeft een verregaande liberalisering gezien van de financiële sector. Maar hoe groter de handelingsvrijheid, hoe zwaarder het apparaat dat erop moet toezien dat iedereen zich vervolgens wel gedraagt.

Er ligt een optimaal punt waarin de baten van een zo groot mogelijke handelingsvrijheid nog opwegen tegen de stijgende maatschappelijke kosten, inclusief vertrouwensverlies van het publiek, van het toezien op die vrijheid. Dat punt lijkt nu te zijn bereikt, of wellicht al te zijn gepasseerd.