Syrië is nu officieel in burgeroorlog

De Geneefse Conventies zijn van toepassing in Syrië, nu het Internationale Rode Kruis het conflict formeel een burgeroorlog heeft verklaard.

De opstand in Syrië is een burgeroorlog, aldus het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) gisteren. Dat betekent dat het oorlogsrecht of internationaal humanitair recht – verankerd in de Geneefse Conventies van 1949 – officieel van toepassing is. Dat wil zeggen dat nu duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen burgers en strijders. Burgers moeten altijd beschermd worden. Syrië is zoals alle staten partij bij de Geneefse Conventies.

„Tot de afkondiging van een interne oorlog wordt aangenomen dat iedereen [die geen militair is, CR] burger is. In het oorlogsrecht is het doodschieten van strijders niet verboden”, zegt professor Liesbeth Zegveld, hoogleraar Internationaal Humanitair Recht aan de Universiteit Leiden telefonisch. Het recht op leven is niet absoluut in het oorlogsrecht, zegt Zegveld. „Een conflict mag worden gewonnen. Kijk naar de ‘Oorlog tegen terreur’ waarin de VS ervan uitgaan dat tegenstanders mogen worden gedood.”

Dat wil niet zeggen dat de gewapende oppositie nu zonder meer mag worden afgeslacht door het wettig gezag. „Als met opzet en op slinkse wijze zonder waarschuwing vooraf rebellen worden omgebracht, blijft dat een oorlogsmisdrijf”, zegt Nico Schrijver, hoogleraar volkenrecht in Leiden.

Syrische troepen richtten donderdag een bloedbad aan in het dorp Tremseh, waar volgens de oppositie circa honderd doden en volgens Damascus 36 doden vielen. Volgens waarnemers van de Verenigde Naties in Syrië zijn de meeste van de slachtoffers deserteurs en rebellen. Er zijn aanwijzingen dat het bloedbad het resultaat is van een gevecht tussen leger en rebellen, waarbij het leger een groot overwicht had.

Om te zien of het hier volgens het oorlogsrecht al dan niet om een oorlogsmisdrijf gaat, zijn meer feiten nodig, zegt Schrijver. „Er wordt vaak te snel geoordeeld hoe het zit. Daarom is de aanwezigheid van VN-waarnemers heel belangrijk.”

Als rebellen mogen worden gedood, zou dat in theorie in het voordeel van het regime kunnen zijn. Maar het werkt naar twee kanten, zegt Zegveld. „Het geeft ook de wederpartij het recht de andere partij uit te schakelen.”

Schrijver wijst erop dat het regime hoe dan ook zijn gang ging. „Nu heeft de internationale gemeenschap een meetlat waarlangs ze de daden van het regime kan leggen.”

Libië werd vorig jaar maart tijdens de opstand tegen het bewind van Moammar Gaddafi eveneens in staat van burgeroorlog verklaard door het Internationale Rode Kruis. Dat trok destijds weinig aandacht, volgens Schrijver omdat de VN-Veiligheidsraad het ruimere begrip Verantwoordelijkheid om te Beschermen (Responsibility to Protect, R2P) van toepassing verklaarde. Volgens dat principe moet de internationale gemeenschap in actie komen als de nationale overheid haar plicht verzaakt om de bevolking te beschermen. Dat leidde tot de luchtsteun van de NAVO aan de rebellen en de val van Gaddafi’s regime. R2P is tot dusverre in de Veiligheidsraad niet aan de orde gesteld inzake Syrië.

‘Ingrijpen buitenland’: pagina 10