Oude karikaturen: woeste Duitsers en weke Fransen

Agressieve Duitsers en arrogante, verwijfde Fransen. Deze stereotypen lijken modern, maar zijn al duizend jaar oud. Het idee dat bewoners van een landstreek zoveel eigenschappen delen dat er sprake is van een volksaard vond al in de twaalfde eeuw ingang in het noordwesten van Europa. En zo ontstonden allerlei vooroordelen over andere Europeanen. Er was in die periode zelfs sprake van ‘een explosie van etnische stereotypen’, schrijft mediëviste Claire Weeda in haar proefschrift Images of Ethnicity in Later Medieval Europe, waarop ze promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.

De twaalfde eeuw was in West-Europa een heel dynamische tijd. Er ontstonden steden, er kwamen handelsstromen over grote afstanden op gang en er gingen veel meer mensen op reis dan in de eeuwen daarvoor. Er waren kruistochten, en studenten uit heel Europa trokken naar Parijs en Keulen.

De ontmoetingen tussen mensen van verschillende etnische achtergronden gaven aanleiding tot allerlei uitspraken over elkaar. Weeda: „Toenemend contact leidt niet vanzelf tot een beter begrip. Het kan juist leiden tot stereotypering, omdat mensen proberen greep te krijgen op een ongekende diversiteit.” Zo werd het Romeinse stereotype van de ‘Teutoonse woesteling’ (furor teutonicus) opnieuw in de verf gezet en werd de preudomme, het hoofse beschavingsideaal van het Franse hof, belachelijk gemaakt als weekheid. Ook tijdens de kruistochten was het geen pais en vree tussen de deelnemers. Weeda kwam veel voorbeelden tegen van onderlinge rivaliteit, vooral tussen Duitse en Franse edelen en hun voetvolk.

Etnische vooroordelen werden gevoed door de wetenschap van die dagen. De klimaattheorie schreef etnische verschillen toe aan uiteenlopende atmosferische omstandigheden. Zo zou het mediterrane klimaat het beschavingsproces bevorderen en zouden koude streken zijn veroordeeld tot barbarij.

Dat het economische en culturele zwaartepunt van Europa verschoof naar het noordwesten, werd destijds al onderkend. Weeda: „Kennis, beschaving en politieke macht vloeien van Griekenland via Rome naar Parijs. Die beweging strookte niet helemaal met de antieke klimaattheorie. Want door die verschuiving naar het noorden waren kennis en macht terechtgekomen in wat deze theorie beschouwde als een achterland waar geen cultuur zou kunnen bloeien. Zo werd in bepaalde bronnen gerommeld met lengte- en breedtegraden om het noorden als warmer voor te stellen.”

In dit debat speelden priesters en kloosterlingen een hoofdrol. Zij hadden te maken met een spanning tussen het denkbeeld van aangeboren eigenschappen en de (veronderstelde) beschavende werking van het christendom. Weeda: „In de christelijke ethiek moeten goede en slechte eigenschappen en gewoonten voortdurend met elkaar strijden, opdat het goede overwint. Toch komt er in West-Europa in de latere Middeleeuwen meer de nadruk te liggen op erfelijkheid en onveranderlijkheid. Christenen moeten hun aangeboren slechte eigenschappen afleren, maar we zien een opportunistisch gebruik van ideeën over aanleg of omgevingsinvloed. Aangeboren eigenschappen worden aangevoerd om kolonisering, zoals van Ierland, te rechtvaardigen of anderen, zoals joden, uit te sluiten.”