Ongeloof over sluiting Institut Néerlandais

Het Institut Néerlandais in Parijs krijgt geen subsidie meer en moet sluiten. In de Franse culturele wereld wordt vol ongeloof gereageerd.

„Een ernstige misstap” noemt grafisch ontwerper Pierre Bernard, in 2006 winnaar van de prestigieuze internationale Erasmusprijs, het besluit van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken om de subsidie aan het Institut Néerlandais stop te zetten. „Het instituut neemt een niet weg te denken plaats binnen de Parijse kunstwereld in. Ik heb er tentoonstellingen bezocht die ik nergens anders zou hebben kunnen zien.”

Buitenlandse Zaken maakte vrijdag bekend dat het de subsidie van 1,8 miljoen euro per 1 januari 2015 beëindigt. In een verklaring benadrukt het ministerie dat de Nederlandse culturele activiteiten niet verdwijnen, maar voortaan vanuit de ambassade tot stand zullen komen.

Ook Serge Lemoine, voormalig directeur van Musée d’Orsay, reageert aangedaan. „Met het verdwijnen van het Institut Néerlandais worden twee eeuwen van goede betrekkingen tussen Frankrijk en Nederland op het spel gezet.”

Het Institut Néerlandais is de belangrijkste culturele voorpost van de Nederlandse cultuur in Frankrijk. Al jaren organiseert het goedbezochte tentoonstellingen, debatten, concerten, literaire avonden en filmvoorstellingen. Er komen jaarlijks 40.000 tot 50.000 bezoekers. Daarnaast participeert het in belangrijke culturele evenementen als Paris Photo en de Salon du Livre.

Ieder land dat in cultuurstad Parijs wil meetellen beschikt over een vergelijkbaar instituut – 46 zijn er inmiddels. Maar volgens Christophe de Voogd, oud-directeur van Maison Descartes, het Franse instituut in Amsterdam, springt het Institut Néerlandais eruit. „Wegens het aanbod en zijn roemrijke historie, maar zeker ook wegens de ligging.” Het instituut is gevestigd in een monumentaal pand aan de Rue de Lille, op een steenworp afstand van de Assemblée Nationale. „Iedere Franse politicus weet het blindelings te vinden”, zegt De Voogd. „Een van de charmes van het instituut is de ideeënuitwisseling die er plaats heeft tussen Nederlanders en Fransen. Over euthanasie of drugsbeleid bijvoorbeeld.”

Het Institut Néerlandais, dat in 1957 zijn deuren opende, is het resultaat van de unieke samenwerking tussen de Nederlandse Staat en de Fondation Custodia, de stichting die de wereldvermaarde kunstcollectie van verzamelaar Frits Lugt beheert.

Nog altijd sieren de Hollandse meesters van Custodia met regelmaat de muren. Maar ook voor moderne kunst werd in de loop der jaren plaats ingeruimd. „Het instituut heeft steeds een warm huis willen bieden aan Nederlandse schrijvers, kunstenaars en intellectuelen”, zegt Rudi Wester, oud-directeur van het instituut. Schrijver Willem Frederik Hermans was zelfs zo van het instituut gecharmeerd dat hij er ooit eens schertsend om een baantje vroeg, „als conciërge of zo”.

Volgens Wester is het instituut voor veel Fransen de enige plek waar zij in aanraking komen met Nederlandse cultuur. „Voor Rembrandt komen ze nog wel naar Nederland, maar niet voor fotografie of design.”

Eind vorig jaar werd het instituut voor het eerst geconfronteerd met de bezuinigingsplannen van het inmiddels demissionaire kabinet. „We hebben het spel toen meegespeeld en zijn gaan ondernemen”, zegt Marieke Wiegel, hoofd tentoonstellingen. Er werden plannen gemaakt om het taalonderwijs te verzelfstandigen en er werden externe geldschieters gevonden. Maar baten mocht het niet.

De raad van toezicht van het instituut is opgestapt, uit protest tegen de door Buitenlandse Zaken gevolgde procedure. „We zijn niet vooraf in de beslissing van de minster gekend”, zegt Maarten Asscher, directeur van boekhandel Atheneum en lid van de raad van toezicht. „De initiatieven van het instituut om de zaken financieel op orde te brengen zagen er goed uit. Wij wisten niet beter of de samenwerking met het ministerie zou worden voortgezet.”