Meer improvisatie graag!

Klassieke muziek is verworden tot een oefening in recyclen. En dat terwijl er in het genre ooit driftig werd geïmproviseerd, zegt pianist en muziekrecensent Bas van Bommel. In de muziekwereld is er nu een beweging die de noten weer wil bevrijden.

Recentelijk nog naar een opwindend klassiek concert geweest? Naar een uitvoering waarvan je hart niet alleen sneller, maar ook onregelmatig gaat kloppen? Met musici die verbazen, en sensationeel spelen met eeuwenoude noten?

Grote kans van niet. Klassieke concerten kunnen mooi en aangenaam zijn, zeker, maar grensverleggend? Dat zijn ze al lang niet meer.

Het probleem voor de klassieke-muziekliefhebber is even simpel als omvangrijk: je kent alles al. Beethovens Keizersconcert? Al vijf keer gehoord. Bovendien heb je er een cd van. Mozarts Jupiter-symfonie? Komt elke week op de radio voorbij. En hoeveel Schubertfeesten en Schubertjaren zijn er niet al geweest! De wereld van de klassieke muziek zit in een keurslijf van eindeloze recycling.

Hoe anders was dat in de negentiende eeuw. Toen draaiden concerten om creativiteit en de thrill van het moment. De Hongaarse componist en pianist Franz Liszt schrok er niet voor terug om zijn eigen draai te geven aan werken van collega’s en besloot recitals met spetterende improvisaties op verzoeknummers uit het publiek. Grote meesters als de Pool Ignacy Paderewski (1860-1941) en de Pools-Amerikaanse pianovirtuoos Josef Hofmann (1876-1957) bekoorden met ter plekke bedachte voorspelen en overgangen.

Eigen, spontane inbreng: ooit stonden of vielen concerten ermee.

Hoe anders is dat nu. Tegenwoordig beperken musici zich hoofdzakelijk tot het reproduceren van meesterwerken. Alleen voor organisten is improviseren nog gewoon, zoals het Internationaal Orgel Improvisatieconcours bewijst, dat vandaag in Haarlem voor de negenenveertigste keer van start gaat. Organisten moeten wel, want de collecte tijdens de kerkdienst duurt nooit even lang. De kerk als laatste bastion voor spannende klassieke muziek – wie had dat gedacht?

Hoe kan het dat de improvisatie, ooit een zo vitaal onderdeel van klassieke muziek, tegenwoordig een zo marginaal bestaan leidt? Volgens Karst de Jong ligt er een taboe op ‘losgaan’. „Improvisatie wordt geassocieerd met lage cultuur, terwijl klassieke muziekopleidingen zichzelf graag zien als broedplaatsen van hoge cultuur”, zegt De Jong, die doceert aan de Escola Superior de Musica de Catalunya (ESMUC) in Barcelona en aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. „Alles draait om ‘grote meesterwerken’, waarin elke noot heilig is.”

Deze ernst sloop vanaf de late negentiende eeuw het wereldje binnen. Zo haalde in Nederland Willem Kes, eerste dirigent van het Concertgebouw Orkest (1888-1895), de consumptietafels weg uit de zaal. Voorheen zorgden die voor een sfeer van variété. Het publiek moest begrijpen dat het in klassieke muziek niet om vermaak gaat, maar om Grote Kunst, die onze diepe eerbied en bovendien totale stilte verdient. Vanzelfsprekend belandde improvisatie, met z’n informele en onvoorspelbare karakter, in de verdomhoek.

Dat verbod op creativiteit ligt tot op heden als een verstikkende deken over de klassieke muziekwereld. De Jong: „Je moet je strikt houden aan wat de partituur voorschrijft. Kom je met iets van jezelf, dan word je teruggefloten. In feite word je als musicus tegenwoordig gewoon niet meer serieus genomen.”

Maar een partituur is toch in marmer gebeiteld? Nou nee. „Voor componisten zelf waren hun werken lang zo heilig niet als ze voor ons geworden zijn”, zegt David Dolan (1955), docent improvisatie aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen. „Chopin werd woedend als leerlingen zijn stukken de volgende les precies zo speelden als de week ervoor. Zelf improviseerde hij voortdurend op z’n eigen werk. Van zijn Nocturne opus 9 nr. 2 zijn maar liefst zeventien verschillende versies bekend. Maar doe je tegenwoordig als pianist wat Chopin zelf wilde, dan geld je ineens als cultuurbarbaar.”

Dolan wijst met de beschuldigende vinger vooral naar de opname- en wedstrijdcultuur. „De gepolijste standaarduitvoeringen die we van cd’s en concoursen kennen zijn een richtsnoer geworden. Vrijwel niemand durft nog risico’s te nemen of iets onverwachts te doen. Het gevolg is een grote eenheidsworst: op concerten klinken niet alleen steeds dezelfde stukken, maar ook nog eens op vrijwel precies dezelfde manier. Het is een kwestie van tijd voor zoiets niet meer gaat werken.”

Dat besef begint langzaam door te dringen in muziekopleidingen. Het belang van creatief musiceren wordt herontdekt. Op de ESMUC-school in Barcelona, opgericht in 2001, is klassieke improvisatie voor alle studenten twee jaar lang een verplicht vak. Aan de Guildhall School in London werd in 2006 het Centrum voor Creatieve Performance en Klassieke Improvisatie opgericht, met elk jaar zo’n veertig nieuwe studenten. En het Koninklijk Conservatorium van Den Haag lanceerde dit jaar een driejarig, internationaal project, geheel gewijd aan klassieke improvisatie. Doel: de klassieke musicus heruitvinden.

„Studenten realiseren zich niet dat composities vaak al improviserend ontstaan, en dus slechts mogelijke uitwerkingen zijn van een muzikaal idee”, zegt Karst de Jong, die zelf ook klassieke improvisatie doceert. Hij leert zijn studenten dan ook om buiten de gebaande banen te treden, bijvoorbeeld door een kort fragment uit een pianoconcert van Mozart eindeloos te verbasteren. ,,Zo vergroten ze hun creativiteit, maar leren ze ook om Mozart van binnenuit begrijpen.”

Strijden tegen de eenheidsworst. Ook enkele individuele musici doen dit al. Zoals de Amerikaanse pianist Robert Levin (1947), die graag aan de haal gaat met de solopassages in pianoconcerten. Of de Venezolaanse ster Gabriela Montero (1970), die furore maakt met verbluffende improvisaties op verzoeknummers. En de Duitse pianist en liedbegeleider Michael Gees (1953) experimenteert met uiterst vernieuwende pianorecitals.

„Ik heb groot respect voor bestaande composities”, zegt Gees, „En toch kan ik me van elke geschreven noot voorstellen dat het ook een andere noot kan zijn. Of dat het ritme er anders uitziet. Dit jaar speel ik een Erik Satie-recital waarop ik Saties werken wel als uitgangspunt neem, maar toch speel ik ze niet van a tot z. Op een zeker moment verlaat ik de partituur en laat ik de stukken een loop nemen zoals het moment mij dat ingeeft. Ik probeer Saties stukken zo te hercreëren in het heden en op een spontane manier.”

Maar wat is er dan eigenlijk nog ‘klassiek’ aan klassieke improvisatie? Gees: „Natuurlijk zijn er altijd bepaalde grenzen. Als ik op Mozart improviseer, moet het nog wel iets met Mozart te maken hebben. Maar puur in Mozarts eigen stijl doe ik het niet. Ik gebruik meer dissonanten, omdat wij daar tegenwoordig meer aan gewend zijn. Ongetwijfeld zou Mozart dat ook zo doen als hij in onze tijd terugkeerde.”

Improviseren is niet alleen goed voor de uitvoerder, het is volgens Gees ook belangrijk voor de componist. „Moderne componisten vergeten vaak dat ze voor een publiek schrijven, zoals je kunt horen aan de vaak overcomplexe hedendaagse muziek”, zegt hij. „Nieuwe ideeën moet je altijd toetsen aan je publiek. Als het niet werkt, zit je op een dood spoor. Door een meer improvisatorische, uitproberende benadering kan nieuwe muziek dichter bij het publiek komen.”

Aan de orgelwereld lijkt de teloorgang van het creatieve musiceren grotendeels voorbij te gaan. Volgens Hans Fidom (1967), hoogleraar orgelkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het Amsterdamse Orgelpark, heeft dit vooral praktische oorzaken: kerkdiensten kunnen een grillig verloop hebben. Je moet als organist steeds spontaan reageren op wat er gebeurt.

Maar het heeft ook met het instrumentarium te maken. „Er zijn tussen orgels enorme verschillen, qua klankkleur en mechaniek”, zegt Fidom. „Elk instrument vraagt om een heel eigen benadering, waardoor je met een standaarduitvoering niet weg komt. Dat werkt een improviserende aanpak in de hand.”

Van organisten kunnen we volgens Fidom dan ook veel leren. „De basis van het muziek maken is dat iemand gaat zitten en enthousiast zegt: moet je eens luisteren! Alle andere vormen van muziek maken, ook het spelen van een partituur, zijn indirect en minder fundamenteel. Die basiservaring mag nooit verloren gaan.”

Hoe ver een improvisatiecarrière je kan brengen, laat pianist Louis van Dijk (1941) zien, die naar eigen zeggen uit louter plezier besloot improviseren tot z’n specialiteit te maken. „Bij het uitvoeren van klassieke muziek was ik altijd doodzenuwachtig”, zegt hij. „Maar bij improviseren raakte ik meteen ontspannen. Het komt echt uit mijn ruggenmerg en het is verrassend voor mij zelf én mijn publiek. Maar wie in Nederland improviseert, wordt niet langer als klassieke musicus gezien.”

In Amerika is dat heel anders. Niemand kijkt er daar van op dat pianist André Previn vroeger in een erkend jazztrio zat of dat jazz-toetsenist Chick Corea samen met de Oostenrijkse pianist Friedrich Gulda Mozarts dubbelconcert voor twee piano’s speelde. En Van Dijks cd After Hours (1983), met werken van Gershwin, Duke en Porter, stond in Amerika weken lang in de klassieke top-10.

„In ons land is zoiets ondenkbaar”, zegt Van Dijk. „Nederland is ongelofelijk behoudend. Hopelijk zal het subsidie-knijpen daarom ook goede effecten hebben. Misschien spoort het klassieke musici aan eens buiten de gebaande paden te treden. Dat zou een prachtig resultaat zijn.”