Ieder mens zou een rivier moeten zijn

Rutger Kopland (77) is overleden. Hij was een van onze grootste dichters, die zocht naar zo precies mogelijke formuleringen voor die dingen waarvoor woorden juist te kort schieten.

Redacteur Media

‘Geef mij// maar een vraag en geen antwoord’, schreef Rutger Kopland (1934 -2012) lang geleden, in de bundel Een lege plek om te blijven (1975).

Een vraag, dat moet het uitgangspunt zijn voor een gedicht, en dan hoeft een vraag heus niet zo heel expliciet te zijn. Integendeel, misschien moet de vraag zelf eerst nog gevonden worden in het gedicht. Er zijn veel vragen. Het leven, de tijd, vergankelijkheid, de zogenaamde werkelijkheid – ze zitten allemaal tjokvol vragen, vol ontroeringen, vol dingen die we niet begrijpen: ‘waarom gebeurt alles en dacht ik/ alles gebeurt maar één keer en de eerste/ keer is altijd de laatste’.

Rutger Kopland, in het dagelijks leven psychiater Rudi van den Hoofdakker, was een van onze grootste dichters, die met zijn onvermoeibare zoeken naar zo precies mogelijke formuleringen voor nu juist die dingen waarvoor woorden te kort schieten, veel lezers wist te raken. Als hij ergens voorlas was de zaal altijd vol. Als hij na afloop signeerde waren de rijen eindeloos lang. Zijn bundels werden steeds weer herdrukt, zijn regels geciteerd. Hij was vanaf zijn debuut (Onder het vee, 1966) een veelgelezen en geliefde dichter, die in 1985 de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre ontving, een oeuvre waaraan tot de laatste bundel in 2008 nog heel wat is toegevoegd. Niet alleen bij ‘gewone’ lezers, ook in de literaire kritiek en de wetenschappelijke literatuurbeschouwing werd Kopland, zeker vanaf zijn bundel Een lege plek om te blijven (1975), hoog gewaardeerd.

Geen wonder. Zijn gedichten zijn zowel toegankelijk als geheimzinnig, ze zijn niet evenzovele antwoorden op de vragen die hij stelt, ze houden de vraag intact en brengen toch een mogelijk antwoord dichterbij. In het gedicht ‘I cavalli di Leonardo’ bijvoorbeeld, kijkt hij naar de schetsen die Leonardo da Vinci maakte van paarden en beschrijft nauwkeurig wat je daarop ziet: de spierbundels en pezen ‘die hele machinerie/ van drijfveren en hefbomen waarmee/ een paard beweegt’, maar ook de haartjes, de zachte huid van oorschelpen en oogleden, ‘huid van de ziel’. Kopland schrijft over Leonardo: ‘Hij moet hebben willen weten hoe een paard/ wordt gemaakt, en hebben gezien/ dat dat niet kon’. Het raadsel van een paard kan niet worden opgelost, niet in de nauwkeurigste tekeningen, niet in de meest precieze formuleringen – het raadsel van het leven kan niet worden opgelost.

Dat is geen reden om niet zo precies mogelijk proberen te zeggen, of te tekenen, hoe het is. Integendeel: elk goed gekozen woord, elke geslaagde regel, elk goed in elkaar gezet gedicht is een bijdrage aan het onderzoek dat een vragende en voelende geest steeds weer verricht.

Kopland is een dichter die zich, als menigeen van zijn generatie, van het geloof uit zijn jeugd heeft willen bevrijden. Hij nam in een van zijn bekendste gedichtenreeksen (in Al die mooie beloften, 1978) afscheid van ‘G’, een initiaal die heel goed voor ‘God’ zou kunnen staan. In die gedichten spreekt hij tegen deze G. die tegelijkertijd ontkend wordt (‘Jij? Ach kom, jij bent niets//dan twee ogen die zien wat ze zien’) en gewenst wordt ‘Iemand toch/ zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat’. Wie de Verzamelde gedichten leest, ziet hoe zulke vragen en opstandigheden langzaamaan plaats maken voor constateringen. Alsof een stellige regel als: ‘Achter geheimen/ is geen brein, geen hart, daar is niemand’ er steeds minder een was die de dichter zichzelf voorhield, en steeds meer iets dat gewoon zo is. De ‘niemand’ die eerst nog achter alles zat, verdwijnt ook. De vraag naar wat er ‘achter zit’ verdwijnt. Er is de wereld, en als je even niet jezelf als een kijkende buitenstaander opvat, dan bén je die wereld. Daar zit niets achter.

In december 2005 overkwam Kopland een zwaar auto-ongeluk: na een hartaanval reed hij met zijn auto tegen een boom en moest met ernstig hersenletsel naar het ziekenhuis. Hij was een tijd weg, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, en keerde uiteindelijk, nooit meer helemaal de oude, weer terug naar huis. Keek zijn tuin in, die daar nog lag, precies als daarvoor, precies zoals die tuin er gelegen zou hebben als hij er niet meer geweest was. En schreef toch nog, toch weer, poëzie, over die tuin: ‘hoezeer ik ook van haar houd, voor mij/ is zij niet gebleven, niet omdat ze op mij/ wachtte is zij er, zij is er zoals ook ik er is’.

In het steeds meer doorvoeld aanvaarden dat de werkelijkheid er niet voor ons is, ligt Koplands kern en zijn kracht. De troost van zijn poëzie, en er is beslist een troost in die gedichten, dat voelen al die lezers maar al te goed, is niet gelegen in bewoordingen voor weemoed en onvervuld verlangen, maar juist eerder in een soort vitale hardheid: onder ogen zien dat er veel is waar we van houden en dat verdwijnt, en constateren dat dat is wat leven is. Dat je ook niet zou willen dat het anders was, omdat een stilstaande tijd en een onveranderlijke wereld de dood zelf zijn.

Zoals in het gedicht ‘Baai’, waarin een foto van een ongetwijfeld Griekse baai wordt beschreven: alles even mooi, heel dat prachtige moment waarop de avond komt, is vastgelegd, ‘het blijft en het blijft maar’ en na die beschrijving van deze avond en het geluk van daar te zitten, eindigt het gedicht zo: ‘en een verlangen, dat dit moment voorbijgaat.’ In het voorbijgaan, het verder gaan, ligt het leven, ons leven. Het gaat voorbij tot het er niet meer is.

Zoals elke grote dichter en schrijver die lang meedoet, heeft ook Kopland zijn schommelingen in de waardering gekend. Hoewel de lezers altijd en onverminderd van hem bleven houden, werd zijn poëzie door jongere dichters en critici op een gegeven moment niet meer helemaal van deze tijd gevonden. Er begon steeds meer een waas om heen te hangen van ‘soft’ of ‘weemoedig’ of niet van ‘het echte leven’. Dat is niet vreemd, want zo gaan de dingen, en tegelijkertijd is het wel vreemd. Want Kopland is niet ‘weemoedig’, in zijn poëzie wordt, anders dan menigeen erin lijkt te lezen, niet verlangd naar een verloren paradijs of zoiets. Er wordt in geleefd, met alles wat er in het leven is: een oude boxer en een orgeltje dat ‘Yesterday’ kan spelen, grappige ansichten verstuurd vanaf een vakantieadres, jenever, wandelingen met kinderen, schilderijen die grondig bekeken worden en paarden in de mist, een oude appelboom, de Drentsche Aa, steeds weer de Drentsche Aa en zijn onbegrijpelijke stromen, er zijn huizen waarin we gewoond hebben maar waarnaar we niet terugkunnen, want we kunnen niet terug, er is geen terug. Ook nu niet. Wat niet wil zeggen dat er geen gemis kan zijn. Dat wel.

‘ieder mens zou een rivier moeten zijn, komen/ zonder verlangen te blijven, gaan zonder heimwee.’