Europees hof tikt Nederland op vingers om kroongetuige

Een verklaring van een kroongetuige die in de rechtszaal niets wil zeggen, volstaat niet meer om een verdachte te veroordelen. Dat concludeert het Europese Hof van de Rechten van de Mens na bestudering van een oordeel van de Hoge Raad uit 2006. Volgens kenners moet dit als een reprimande voor Nederland worden uitgelegd.

Het Europese Hof boog zich over de zaak van Nick V., die in hoger beroep tot vier jaar en drie maanden werd veroordeeld voor een poging 200.000 xtc-pillen naar Australië te smokkelen. Cassatie bij de Hoge Raad bracht hierin geen verandering. De Brit heeft zijn straf uitgezeten en woont nu in Londen.

Volgens het Europese Hof van de Rechten van de Mens had de man niet veroordeeld mogen worden, omdat de veroordeling vrijwel geheel gebaseerd was op de verklaring die één medeverdachte tegenover de Duitse justitie had afgelegd. In de rechtbank wilde hij geen vragen van de advocaat beantwoorden en beriep hij zich op zijn zwijgrecht. Hij zou bang zijn geweest zichzelf te belasten, omdat hij zou worden uitgeleverd aan Nederland.

Gabriël Meijers, advocaat van V, zegt dat zijn cliënt op basis van het vonnis een schadevergoeding van 100 euro per dag kan claimen. Hij zal binnenkort bij de Hoge Raad een herzieningsverzoek indienen. Volgens Meijers heeft het oordeel van het mensenrechtenhof ook gevolgen voor andere zaken waarbij het bewijs hoofdzakelijk steunt op verklaringen van medeverdachten die in de rechtszaal hun mond houden. „Ik heb minstens één cliënt die nu ook naar het Europese hof wil.”

De uitspraak komt op een precair moment; een meerderheid van de Tweede Kamer wil de regeling voor kroongetuigen juist uitbreiden. „Ik denk dat veel mensen deze uitspraak de komende tijd onder de loep zullen nemen”, verwacht PvdA-Kamerlid Jeroen Recourt, die zelf jarenlang rechter was. „Is de bescherming van verdachten voldoende gewaarborgd, dat is de centrale vraag”, aldus Recourt, die vindt dat het Nederlandse rechtbestel „een zeer pijnlijke tik op de vingers heeft gekregen”.

Advocaat en hoogleraar internationaal strafrecht Geert-Jan Knoops is het met Recourt eens, maar tekent daarbij aan dat het oordeel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet op zichzelf staat. „Ook Kroatië, Rusland en Estland hebben het afgelopen half jaar een mensenrechtelijke reprimande gekregen, om dezelfde reden. Daarbij vallen twee dingen op. Het mensenrechtenhof is sneller bereid bewijs, gebruikt door EU-landen, inhoudelijk te toetsen én trekt meer de teugels aan als het op minimumbewijzen aankomt. Bij sommige landen, zoals Engeland, leidt dat tot grote ergernis.”