Een zachte plek

Als iets Rutger Kopland samenvat, dan het gedicht ‘Onze gasfabriek’. Het is een herinnering aan de gasfabriek in Assen, waarvan zijn vader directeur was. Kopland verheft in het gedicht iets schijnbaar onpoëtisch tot een teder beeld waarin herinnering, eenvoud en aanvaarding samensmelten tot wat ‘de Kopland-houding’ is. ‘Vader, je liet de mooiste / gasfabriek op aarde / achter’ vangt het gedicht aan, om te besluiten met ‘stil en zomers met gras / dat bloeit en alles over- / woekert’.

Ik wist weinig van Rudi’s biografie, toen ik een aantal jaren geleden bij hem en zijn vrouw logeerde. We kwamen laat in de avond aan bij de boerderij in Glimmen en zaten aan de ronde keukentafel jenever te drin-ken en te roken. Omdat we allebei geboren waren in het oosten van het land en opgegroeid in het noorden bestond het gesprek uit gelijke delen begripvol zwijgen en dialogen zonder poeha. Ik zat naar hem te luisteren en te kijken, die avond, en bedacht dat hij tot de weinige mensen behoorde die ‘op hun plek’ waren. Hij was wat hij was en wie hij was en zo waren zijn gedichten ook. Voor een hoogleraar, psychiater, zeer succesvol onderzoeker en nog succesvollere dichter leek Kopland weinig vol van zichzelf. Een noorderling, een bedachtzaam, bescheiden type van weinig woorden. Net als zijn poëzie.

Die avond vertelde ik dat ik hem had verstopt in mijn boek Het Grote Verlangen, waar Sam van Dijk zichzelf zoekt in een gebied dat ‘Kopakker’ heet en dat ik als schooljongen ooit vergeefs had rondgefietst om het café aan de Drentsche Aa te vinden waarover hij had geschreven.

Dat ik niet had gevonden was toepasselijk, want in Koplands poëzie, ondanks het concrete, overstijgt het zoeken altijd het vinden. Die houding was niet alleen zijn positie als dichter. Hij was zelf meer (onder)zoeker dan vinder. Daarom kon hij de zachte plek – in zichzelf, in anderen en in wat hem omgaf – raken. Daarom raakte zijn poëzie en daarom raakte hij. Daarom raakte hij mij.

Een jaar of twee geleden troffen we elkaar voor het laatst, in avondlijke middeleeuwse binnentuinen in Deventer. Ik moest lezen uit mijn eigen bundel en net toen ik wilde beginnen, zag ik hem op de eerste rij zitten. Ik mag dan inmiddels halverwege de vijftig zijn en het een en ander gewend zijn, maar op dat moment voelde ik kippenvel over mijn armen kruipen. Het was donker, alleen wat lichtjes tussen de hoge bomen, de avond een tent over de oude tuinen en Rudi die daar, breekbaar maar alert, zat te wachten. De grootsheid van zijn gebaar, om te komen luiste-ren, verraste mij niet – zo was hij– maar ik werd er zeer door geraakt. Een klein gebaar, dat zoveel grootsheid in zich droeg. Net als zijn gedichten. Een paar woorden, een zin die je doet kijken, naar de zachte plek, het schijnbaar kleine en onooglijke: de gasfabriek van zijn vader, jonge sla in september, de Drentsche Aa.