Een leven tjokvol ontroering

Rutger Kopland, 1 april 2005 (Foto Dolph Cantrijn/Hollandse Hoogte)

In zijn gedichten probeerde hij onvermoeibaar om juist die ervaringen te treffen waarvoor woorden tekortschieten. Marjoleine de Vos’ necrologie van de overleden Rutger Kopland.

‘Geef mij// maar een vraag en geen antwoord” schreef Rutger Kopland (1934 -2012) lang geleden, in de bundel Een lege plek om te blijven (1975).

Een vraag. Dat moet het uitgangspunt zijn voor een gedicht, en dan hoeft een vraag heus niet zo heel expliciet te zijn. Het leven, de tijd, vergankelijkheid, de zogenaamde werkelijkheid, ze zitten allemaal tjokvol vragen, vol ontroeringen, vol dingen die we niet begrijpen: „waarom gebeurt alles en dacht ik/ alles gebeurt maar één keer en de eerste/ keer is altijd de laatste.”

Rutger Kopland, in het dagelijks leven psychiater Rudi van den Hoofdakker, was een van onze grootste dichters, die veel lezers wist te raken met zijn onvermoeibare zoeken naar zo precies mogelijke formuleringen voor nu juist die dingen waarvoor woorden tekortschieten. Als hij ergens voorlas was de zaal altijd vol. Als hij na afloop signeerde waren de rijen eindeloos lang. Zijn bundels werden steeds herdrukt, zijn regels geciteerd. Hij was vanaf zijn debuut (Onder het vee, 1966) een veelgelezen en geliefde dichter, die in 1988 de P.C. Hooft-prijs voor zijn hele oeuvre ontving. Een oeuvre waaraan sindsdien nog heel wat is toegevoegd, de laatste bundel verscheen in 2008. En niet alleen door ‘gewone’ lezers, ook in de literaire kritiek en de wetenschappelijke literatuurbeschouwing werd Kopland, zeker vanaf Een lege plek om te blijven (1975), hoog gewaardeerd.

Geen wonder. Zijn gedichten zijn zowel toegankelijk als geheimzinnig, ze zijn bepaald geen onomwonden antwoorden op de vragen die hij stelt. Ze houden de vraag intact en brengen toch een mogelijk antwoord dichterbij. In het gedicht ‘I cavalli di Leonardo’ bijvoorbeeld, kijkt hij naar de schetsen die Leonardo da Vinci maakte van paarden en beschrijft nauwkeurig wat je daarop ziet: de spierbundels en pezen „die hele machinerie/ van drijfveren en hefbomen waarmee/ een paard beweegt”, maar ook de haartjes, de zachte huid van oorschelpen en oogleden. Kopland schrijft: „Hij moet hebben willen weten hoe een paard/ wordt gemaakt, en hebben gezien/ dat dat niet kon.”

Het raadsel van een paard kan niet worden opgelost, niet in de nauwkeurigste tekeningen, niet in de meest precieze formuleringen – het raadsel van het leven kan niet worden opgelost.

Dat is geen reden om niet zo precies mogelijk proberen te zeggen, of te tekenen, hoe het is. Integendeel – elk goedgekozen woord, elke geslaagde regel, elk goed in elkaar gezet gedicht is een bijdrage aan het onderzoek dat een vragende en voelende geest steeds weer verricht. Het onderzoek naar het leven, naar wat het is te leven, naar hoe de werkelijkheid, ‘tussen aanhalingstekens’ zou Kopland niet vergeten erbij te zeggen, eruitziet.

Kopland is een dichter die zich, als menigeen van zijn generatie, van het geloof uit zijn jeugd heeft willen bevrijden. In een van zijn bekendste gedichtenreeksen, de zogenaamde G-cyclus uit Al die mooie beloften (1978), nam hij afscheid van ‘G’, een initiaal die heel goed voor ‘God’ zou kunnen staan. In die gedichten spreekt hij tegen deze G., hij ontkent hem – „Jij? Ach kom, jij bent niets//dan twee ogen die zien wat ze zien” – en wenst zijn bestaan: „Iemand toch/ zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat.”

Wie zijn Verzamelde gedichten leest, ziet hoe zulke vragen en opstandigheden langzaamaan plaatsmaken voor constateringen. Alsof een stellige regel als: „Achter geheimen/ is geen brein, geen hart, daar is niemand”, er steeds minder een was die de dichter zichzelf voor moest houden, en steeds meer een feit. De ‘niemand’ die eerst nog achter alles zat, verdwijnt. De vraag naar wat er ‘achter zit’ verdwijnt. Er is de wereld, en als je even niet jezelf als een kijkende buitenstaander opvat, dan bén je die wereld. Daar zit niets achter. Dat is.

In december 2005 overkwam Kopland een zwaar auto-ongeluk. Na een hartaanval reed hij tegen een boom en moest met ernstig hersenletsel naar het ziekenhuis. Hij was een tijd weg, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, en keerde uiteindelijk, nooit meer helemaal de oude, terug naar huis. Keek zijn tuin in, die daar nog lag, precies als daarvoor, precies zoals die tuin er gelegen zou hebben als hij er niet meer geweest was. En schreef toch nog, toch weer, poëzie, over die tuin: „hoezeer ik ook van haar houd, voor mij/ is zij niet gebleven, niet omdat ze op mij/ wachtte is zij er, zij is er zoals ook ik er is.”

Koplands kern en zijn kracht ligt in het steeds meer doorvoeld aanvaarden van dat de werkelijkheid er niet voor ons is. De troost van zijn poëzie – en er is beslist een troost in die gedichten, dat voelen al die lezers maar al te goed – is niet gelegen in bewoordingen voor weemoed en onvervuld verlangen, maar juist eerder in een soort harde gevoeligheid: onder ogen zien dat er veel is waar we van houden, en dat dat vergankelijk is, net als wij, en constateren dat dat is wat leven is. „ieder mens zou een rivier moeten zijn, komen/ zonder verlangen te blijven, gaan zonder heimwee.”

Een stilstaande tijd en een onveranderlijke wereld zijn de dood zelf. Zoals Kopland schrijft in het gedicht ‘Baai’, waarin een foto van een ongetwijfeld Griekse baai wordt beschreven: alles even mooi, heel dat prachtige moment waarop de avond komt, „dit was geluk”. Na die beschrijving eindigt het gedicht met de regel: „en een verlangen, dat dit moment voorbijgaat.” In het voorbijgaan, het verder gaan, ligt het leven, ons leven.

Over Koplands poëzie wordt de laatste decennia nogal eens gezegd dat die vooral ‘weemoedig’ zou zijn, of ‘soft’ of geen weet zou hebben van ‘het echte leven’. Dat is niet vreemd, want zo gaan de dingen, en tegelijkertijd is het wel vreemd. Want Kopland is niet ‘weemoedig’. In zijn poëzie wordt, anders dan menigeen erin lijkt te lezen, niet verlangd naar een verloren paradijs of zoiets. Er wordt in geleefd, met alles wat in het leven is: een oude boxer en een orgeltje dat Yesterday kan spelen, grappige ansichten verstuurd vanaf een vakantieadres, jenever, wandelingen met dochters, schilderijen die grondig bekeken worden, een varken dat geslacht gaat worden, een mens die moet sterven, een appelboom in de tuin, de Drentse Aa, steeds weer de Drentse Aa en zijn onbegrijpelijke stromen.

Ook de mens Rudi van den Hoofdakker was bepaald geen softe, wereldvreemde figuur. Hij was een aandachtige man, die goed kon luisteren, maar anderzijds was hij niet bang om zijn mening te laten horen. Hij protesteerde scherp tegen wat hij onterecht vond, van het asielzoekersbeleid of de paternalistische houding in de psychiatrie, tot de Nederlandse gewoonte om elke zandweg te verharden.

Die achter zijn huis is nog steeds van zand.

Hij mocht graag een beetje ironiseren, ook in zijn poëzie, of cabareteske gekkigheid maken – lachen hoort ook bij het leven. Maar uiteindelijk was alles hem wel ernst, de poëzie, de vriendschap, de liefde, de dood en het leven:

er is niets gebeurd, zegt de tuin in het raamde bomen de vogels,
de zacht waaiende
struiken, het gras, het bleef allemaal zijn
wat het was.