De dood boven de 4.000 meter

Deze maand zijn er al 19 doden gevallen in de Alpen. Alleen al elf op de Mont Blanc, de ‘modeberg’ van het alpinisme. „Veel mensen onderschatten wat er kan gebeuren.”

Redacteur Europa

rotterdam. Soms is het filelopen, op weg naar de hoogste berg van Europa. Ieder jaar proberen zo’n twintigduizend mensen de 4.810 meter hoge top van de Mont Blanc te bereiken. Het is op zich geen technisch moeilijke beklimming. Toch vallen er ieder jaar doden. Zaterdag weer twee: een Poolse vrouw (30) en een Spaanse man die vrijdag in zwaar weer terecht waren gekomen. Vier medeklimmers wisten op tijd een berghut te bereiken en konden de reddingsdiensten alarmeren. Maar toen de Italiaanse reddingshelikopter hen zaterdagmiddag vond, was het te laat. De twee klimmers waren doodgevroren, op 4.400 meter, op de Dôme du Goûter. Zes andere klimmers uit hun groep konden zondagmorgen worden gered. Donderdagmorgen vroeg werden aan de Franse kant van Mont Blanc, op een iets minder populaire route, negen bergbeklimmers gedood toen zij werden verrast door een lawine.

Het zijn twee heel verschillende ongelukken. Daarom wil Robin Baks, directeur van de Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging (NKBV), ook niet aan de suggestie dat de bergsport gevaarlijker is geworden. Wat hij in een telefoongesprek wel constateert, en dat speelt vooral bij een ‘modeberg’ als de Mont Blanc, is dat veel mensen onvoldoende voorbereid het hooggebergte in gaan. Ervaren bergbeklimmers vriezen niet zomaar dood, zegt hij. Die hebben een bivakzak bij zich waarin je minder last hebt van warmteverlies. Of ze weten hoe ze een sneeuwhol moeten graven als ze in slecht weer vast komen te zetten. Als de risico’s voor ervaren mensen echt zo groot zouden zijn, zegt hij, zou de verzekeringspremie voor leden van de NKBV zeker hoger zijn dan 24,50 euro per jaar.

Maar ja, die Mont Blanc. „De Mont Blanc werkt als een magneet voor mensen die zin hebben in een avontuur, ook al omdat de beklimming niet zo moeilijk is. Mensen hebben er vrij voor genomen, met grote moeite een plaatsje in een hut weten te reserveren. Als het weer dan niet optimaal is, denken mensen soms te lichtvoetig over de gevaren. Ze onderschatten wat er kan gebeuren. Juist door die mensen krijgt het alpinisme soms het imago erg gevaarlijk te zijn.”

Tegelijkertijd kan het ook voor de meest ervaren alpinisten fout gaan. Dat gebeurde volgens Baks donderdagmorgen vroeg, aan de Franse kant van de Mont Blanc. Rond één uur ’s nachts was een groep van een twintigtal klimmers gewekt, met tientallen anderen in de berghut Cosmique. Dat is een vast startpunt. Met de kabelbaan naar boven, met een honderdtal anderen slapen op 3.600 meter hoogte, en dan vroeg in de ochtend op weg, de eerste donkere uren met een hoofdlampje op, om te profiteren van het moment dat de atmosfeer het rustigst is en te voorkomen dat smeltende sneeuw op de gletsjers tot extra risico’s leidt. Maar nog voor het majestueuze moment van zonsopgang hoog in de bergen bedolf, iets na vijf uur donderdagmorgen, een lawine de bergbeklimmers, die in twee groepen aan elkaar waren verbonden met touwen. Drie Britten, drie Spanjaarden, twee Duitsers en een Zwitser vonden de dood. Er waren twaalf gewonden, van wie één ernstig.

Een van de slachtoffers is de Brit Roger Payne. „Dat is een wereldberoemde alpinist met gruwelijk veel ervaring”, zegt Baks. „Als iemand de gevaren kon inschatten, was hij het wel. Waarschijnlijk was het domme pech en was hij op het verkeerde moment op de verkeerde plek.”

Er was wel gewaarschuwd dat er erg veel losse sneeuw lag. In het vroege voorjaar was veel sneeuw gevallen. Eind juni was het heel warm geweest, met de vorstgrens soms op 4.400 meter, 900 meter hoger dan normaal. Daarna was de sneeuw weer bevroren, als een spiegel. Met de sneeuwval van begin deze maand kwam er een dik pak sneeuw op een gladde ondergrond bij, verder opgestuwd door de harde wind van soms wel 100 kilometer per uur.

Zo’n heel pak losse sneeuw is als een lawine over de bergbeklimmers gegleden op het moment dat ze een steil deel van de Mont Maudit passeerden. Een Schneebrett, zo noemen ook Nederlandse alpinisten het. Een plaklawine. Die is volgens een voorlopige reconstructie ontstaan toen een stuk ijs van een gletsjer losschoot – of dat is gebeurd door de harde wind of door een klimmer die boven de getroffen groep liep, wordt nog onderzocht.

Heeft die sneeuwval te maken met de opwarming van de aarde? Baks weet niet of er een direct verband is. Wat wel opvalt, zegt hij, is dat de weertypes extremer worden. En ook dat de zogeheten westelijke straalstroom, op negen à tien kilometer hoogte, in de Alpen veel vochtige wind aanvoert. Dat betekent meer sneeuw en ijsafzetting. „De Mont Bl anc is daardoor de afgelopen vijftien jaar drie meter hoger geworden. Op oudere kaarten staat de hoogte nog op 4.807 meter.”

Het is een zware maand voor de bergsport. Al eerder waren er drie ongelukken in de Zwitserse Alpen. Eerst vijf Duitse bergbeklimmers, toen twee Spaanse alpinisten,en op 7 juli gleed een Nederlandse bergbeklimmer uit op de Dent Blanche en stortte hij naar beneden. „Toch kan je pas aan het einde van het seizoen zeggen of er sprake is van een trendbreuk en of er dit jaar ongewoon veel ongelukken zijn”, benadrukt Baks op zondagavond nog eens. De ongelukken gebeurden alledrie tijdens de afdaling en in de sneeuw. „De bergen vormen altijd een potentieel gevaar”, zei kolonel Bertrand François, commandant van de Gendarmerie uit Chamonix, na de lawine. „Sneeuw is geen exacte wetenschap.”