De Bovenbazen (52)

Tom Poes antwoordde niet direct. Hij keek verbaasd naar het snorrende toestel en liep er onderzoekend omheen.

‘Eeuwig bewegen, hè?’ herhaalde hij. ‘Hoe kan dat?’

‘O, heel gewoon,’ zei de oude achteloos. ‘Je doet gewoon een slangetje aan de gnom en dan steek je het in de grond. Dan trekt de zapl vanzelf omhoog zodat het wiel gaat draaien. Makkelijk hoor, zo’n altijd draaiend ding. Je kunt er van alles mee doen; water uit een put scheppen en… ach, ik weet niet wat allemaal. Ik heb maar een klein denkraam. Bommel zou wel meer dingen weten…’

‘Hm,’ zei Tom Poes. ‘Dit is nog heel iets anders dan zijn Solium! Zou het ook werken, wanneer het zo groot was als een huis?’

‘Als een huis?’ herhaalde Kwetal verbaasd. ‘Dat zou vreselijk veel fut geven. Het kan wel, hoor. Maar waarvoor heb je zoveel fut nodig?’

‘Voor een stad bijvoorbeeld,’ zei Tom Poes. ‘Een reusachtige futvoeder zou alle energie kunnen geven zonder dat er landschappen voor vermalen moeten worden.’

Na die woorden nam hij haastig afscheid van de dwerg en repte zich naar buiten.

‘Je hoeft niet te verhuizen,’ riep hij nog, voordat hij over de heuvel verdween. ‘Heer Ollie zal zorgen dat de woestijn niet verder komt.’