Alles aangrijpen om het lijden te verzachten

Rudi van den Hoofdakker was van 1981 tot 1995 als psychiater verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij deed onderzoek naar depressie: hij publiceerde over de relatie tussen slaap en depressie, licht en depressie en de omstreden elektroshocktherapie. In zijn praktijk paste hij deze kennis toe: slaapdeprivatie, lichttherapie, elektroshocks en pillen behoorden tot zijn methoden om het geestelijk lijden van zijn depressieve patiënten te verzachten. Maar hij gaf óók psychotherapie.

Bij zijn afscheidsrede in 1995 hekelde hij vakgenoten die de psychiatrie te biologisch zagen, te veel als een zaak van het brein – een richting die toen al sterk in opkomst was. Van den Hoofdakker pleitte voor een middenweg tussen wat hij noemde ‘praters’ en ‘drogisten’. Tegen Coen Verbraak zei hij (in het boek Kijken in de ziel, 2009): „Ik ken eigenlijk geen enkele stoornis waarvan ik denk: die wordt uitsluitend door de hersenen veroorzaakt[…].” Over die richtingenstrijd tussen mind en brain ging ook Van den Hoofdakkers boek De mens als speelgoed (1995). Eerder publiceerde hij al de essaybundels Het bolwerk van de beterweters (1970) en Een pil voor Doornroosje (1976).

Van den Hoofdakker wilde niet kiezen tussen pillen en praten, maar alles proberen om depressieve patiënten te genezen. Dat bleek ook uit zijn optreden, in 1995, als getuige-deskundige in de euthanasiezaak voor het medisch tuchtcollege tegen psychiater Bart Chabot. Die had een depressieve vrouw hulp had gegeven bij haar overlijden. Volgens Van den Hoofdakker had Chabot de patiënte ook door andere artsen moeten laten onderzoeken en beter zijn best moeten doen om zijn patiënte voor haar ziekte te behandelen. Chabot kreeg een berisping.

In 2002 kreeg Van den Hoofdakker een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht voor zijn poëzie-oeuvre en zijn psychiatrisch werk. Dat waren twee heel verschillende dingen, maakte hij duidelijk in het boekje Twee ambachten (2003) waarin hij zijn beide professies beschreef. Aan de andere kant schreef hij in 1995 in deze krant in een Hollands Dagboek dat dichters en ‘wetenschapsmensen’ ook wel iets gemeenschappelijk hebben: „Ze willen de wereld zo beschrijven dat je denkt: zo had ik het nog nooit gezien, maar zo is het”.

In 2005 kwam Van den Hoofdakker terecht op de psychiatrische afdeling in Groningen die hij zelf geleid had. Hij leed aan angstige wanen – in zijn bed dacht hij dat hij in een weiland lag voor een experiment en dat iedereen hem vergeten was.

Zelf meende Van den Hoofdakker dat mensen zich eerder zijn gedichten dan zijn wetenschappelijk werk zullen blijven herinneren.

Ellen de Bruin