Alaaf

Het is hier carnaval. Zuipen, verkleden, hossen – niet in een dorpshuis of een café, maar op de openbare weg. Schijnt leuk te zijn, vooral als er een peloton wielrenners langsfietst. Ik heb de afgelopen twee weken carnavalsvolk in allerlei vermommingen gezien:

Een vrouw verkleed als bidon.

Een man in een eendenpak.

Superman.

Spiderman.

Een alien.

Iemand met een gewei op zijn hoofd.

Patty Brard.

Een sumoworstelaar.

Een bowlingbal met benen.

Borat.

En nog een sloot anderen.

Het is iets van de laatste jaren. Ooit was er alleen een ietwat treurige man in een duivelspak (leeft Didi der Tourteufel eigenlijk nog?). Tegenwoordig zijn er honderden ik-wil-op-tv-komers in de Tour. Ze gieten een kratje bier achterover, trekken een zo olijk mogelijk pakje aan en rennen met de koplopers mee om hun five seconds of fame te scoren. Daarna bellen ze hijgend en puffend naar hun moeder.

„Zag je me, ma? Zag je me? Was ik op tv? Ja, die vent met die roze G-string, die bijna de geletruidrager van zijn fiets sloeg, dat was ik!”

Ieder jaar wordt het een beetje gekker. Een beetje extremer. Een beetje idioter. En ieder jaar komen ze een beetje dichter bij de renners, met alle gevolgen van dien.

Wielrennen is een sport van het volk. De afstand tussen de renners en het publiek moet zo klein mogelijk zijn. Maar onderhand blijft er geen millimeter meer over. Renners krijgen klappen, bewust en onbewust. Ze moeten uitwijken voor mensen die naar de camerahelikopter wijzen. En anders moeten ze wel vol in de ankers voor kinderwagens, bierkratjes, koeltassen, rolstoelen, gettoblasters of keukentrappen op de weg. De beste tijdrijder van de wereld, Tony Martin, zit thuis met een gebroken hand omdat er ineens een vent met een fotocamera midden in het peloton liep om een leuk kiekje te maken. En van de week stond er een olijkerd met Bengaals vuur langs de kant van de weg te zwaaien naar de renners. Resultaat: het halve peloton rijdt rond met brandwonden.

Er wordt niets aan gedaan. Niet door de Tourorganisatie, niet door de ploegen, niet door de renners zelf. En dus zijn de coureurs vogelvrij, is het wachten op het volgende incident. Gisteren strooide een wielerhooligan spijkers op de weg nadat de kopgroep was gepasseerd. Dertig lekke banden en één opgave (valpartij als gevolg van een klapband) later zeiden Tourdirecteur Christian Prud’homme en klassementsleider Bradley Wiggins dat ze machteloos staan tegenover supporters die zich niet respectvol gedragen. Wat een onzin.

Het wordt tijd dat toeschouwers elkaar corrigeren, dat de Tourorganisatie aangifte doet op basis van tv-beelden, en dat de renners van zich afbijten. Keukentrappen en bierkratjes op het parcours? Koers neutraliseren. Spijkers op de weg? Allemaal van de fiets. En anders heb je altijd je vuisten nog. Luis Leon Sanchez gaf vorige week al het goede voorbeeld: hij roste een meerennende ik-wil-op-tv-komer vol op z’n bakkes. Die vierde ’s avonds carnaval met een blauw oog en een lip zo dik als een tennisbal.

Ook een goede vermomming.

Thijs is NRC-sportredacteur en oud-wielrenner.