Kopspijkertjes

Met horten en stoten kwam er een eensgezindheid over het overgebleven peloton toen langzaam duidelijk werd wat er aan de hand was. Niet langer fietsten ze tegen elkaar, maar mét elkaar, tegen een onzichtbare tegenstander. Iemand die het asfalt had bezaaid met kopspijkertjes.

Evans was bovenop de Mur de Péguère het eerste slachtoffer. Licht gebogen stond hij naast zijn lekgereden fiets, driftig in zijn handen te klappen omdat er maar geen hulp op komst leek. Zelden is wanhoop zo goed te zien als in het gedrag van een renner die ontdaan is van zijn essentie: de fiets.

Daarna, in de afdaling, volgden tientallen anderen. Allemaal hadden ze de spijkertjes in hun banden zitten. Ook ploegleidersauto’s en volgmotoren ontkwamen er niet aan. Terwijl Luis León Sanchez zijn zo gehavende Nederlandse ploeg troostte met een etappeoverwinning, stond achter hem de een na de ander in de berm.

De Italiaan Guerini knalde tijdens zijn solo-ontsnapping in 1999 op een jongen die midden op de weg bleef staan voor een foto en door het venstertje van zijn toestel niet goed kon inschatten hoe dichtbij de renner al was. Armstrong ging in 2003 in een beklimming onderuit omdat zijn stuur achter het gele vlaggetje van een toeschouwer bleef haken. In de laatste Ronde van Vlaanderen ging Sebastian Langeveld hard onderuit omdat een toeschouwer net te laat opzij sprong.

Dat is wat de sport even sympathiek als kwetsbaar maakt: het verschil tussen winnen en verliezen is soms niet groter dan de net iets te ver uitgestoken voet van iemand langs de kant.

Guerini won de rit dertien jaar geleden alsnog en ‘s avonds stond de jongen bij het hotel om zijn excuses aan te bieden. Armstrong won ondanks het vlaggetje de Tour voor de vijfde keer en Langeveld zei al snel dat hij de toeschouwer niets kwalijk nam. Allemaal leken ze te weten: sporter en kijker hebben elkaar nodig, zelfs, en misschien vooral, als de afstand tussen de twee zo klein is.

Totdat iemand vandaag met kopspijkertjes begon te gooien.