Zie je zeehonden liggen op die zandplaat?

Wetenschap in uitvoering

De aantallen zeehonden in de Waddenzee worden goed in de gaten gehouden. Sophie Brasseur telt ze wel tien keer per jaar vanuit de lucht.

Maandag, 9 uur. Sophie Brasseur legt met een pincet enkele bleke botjes in een petrischaal onder de microscoop. De botjes, die afkomstig zijn uit zeehondendrollen, verschijnen kristalhelder op een computerscherm. De Mexicaanse bioloog Jaime Camalich tuurt naar de groefjes in de botten. Het is zijn eerste werkdag in het laboratorium, waar Brasseur hem de komende maanden gaat leren om de uitwerpselen van zeehonden te analyseren.

Brasseur wijst op een ovaal botje met een soort trompet eraan en een groef in de vorm van een hoefijzer: “Dat is het gehoorsteentje van tong.” Ze pakt een standaardwerk met gehoorsteentjes van vissen en wijst op een fotootje: “Zie je wel. Tong!” Dan barst ze in lachen uit: “Tong is makkelijk te herkennen.” Ze geeft Jaime het boek: “Hiermee moet je een eind kunnen komen.”

Bioloog Sophie Brasseur (1966) lacht graag, net zoals ze graag drinkt, eet en rookt: “Ik ben als Belgische bourgondisch ingesteld.” Maar wie enkele dagen met haar optrekt ziet vooral een gepassioneerde zeehondenonderzoeker. Ze kan geen genoeg krijgen van de computerkaart waarop je de zwemroutes van zeehonden met een zender kunt volgen. Ze spreekt lyrisch over de lopende onderzoeken aan het zeezoogdier “waarover we eigenlijk bijna niets weten”. En ze telt al jaren de zeehonden in de Waddenzee. En telt en telt.

De zaterdagmiddag ervoor. De Cessna Cardinal, een rank vliegtuigje met vier zitplaatsen, stijgt op van vliegveld Texel. Tijdens de vlucht van vier uur langs de vijf Nederlandse Waddeneilanden zullen de zeehonden worden geteld. Piloot Aad Droog, een voormalige motorcoureur, heeft de afgelopen veertig jaar al honderden telvluchten gedaan. Naast hem zit Brasseur, met een digitale camera. Ze vliegt al twintig jaar mee. Achter haar zit Hans Verdaat, met een clipboard. Hij is manusje-van-alles en spotter; hij telt ook bruinvissen in de Noordzee en walvissen bij de Zuidpool.

9.30 uur. De aantekeningen en foto’s van de vlucht van afgelopen zaterdag zijn nog niet ingevoerd. Brasseur besluit om de data van een vlucht uit maart te verwerken, toen de grijze zeehonden zijn geteld. De onderzoekers in Denemarken en Duitsland die hun tellingen klaar hebben, zitten namelijk al een tijdje te wachten op de tellingen in Nederland, waar de meeste grijze zeehonden van continentaal Europa verblijven. Onderzoeker Jenny Cremer, een databankgenie, begint in de bibliotheek met de voorbereidingen voor de telsessie.

De groene weilanden gaan over in een grijze zee met zandplaten. Door van west naar oost te vliegen volgen we in principe het laagtij, het moment waarop de zeehonden het vaakst op een zandbank- of plaat liggen. Maar waar precies? En hoeveel?

10.15 uur. Brasseur loopt naar Camalich, die gebogen zit over zijn bakje met botjes: “Ik heb behalve tong ook kabeljauw gevonden.” Brasseur zegt: “Geweldig. Let ook op de steentjes van zandspiering. Die zijn heel klein en zie je snel over het hoofd.”

In ruil voor dit onderricht zal Camalich, die is gepromoveerd op vetzuren van zeeleeuwen, Brasseur helpen bij haar onderzoek aan de vetzuren bij zeehonden. Doordat een zeehond de vetten van zijn prooivissen rechtstreeks opslaat als zijn eigen vet, is de verhouding van bepaalde vetzuren in zijn lichaam de afspiegeling van wat hij heeft gegeten – over een langere periode. Ze willen er samen over publiceren.

De hemel is helderblauw, maar de wind is stormachtig. De Waddenzee is vol schuimkoppen. “Kijk die ‘whitecaps’ ”, zegt Verdaat tegen Brasseur: “Je zou nu nooit bruinvissen kunnen tellen – ‘no chance’. De kleine zwarte rugvin is dan heel erg moeilijk te zien.”

10.45 uur. Brasseur neemt plaats achter haar laptop en projecteert de eerste foto op een scherm. Ze begint hardop de zeehonden die erop staan te tellen. Cremer voert op haar laptop de getallen in. De gevonden aantallen worden gekoppeld aan gps-gegevens over de plekken waar een foto werd genomen en aan gegevens over de ligplaatsen in het waddengebied. Zo kunnen de zeehondendata worden gecombineerd met gegevens over bijvoorbeeld de visstanden en de stromingen.

En dan, voor het eerst, zijn er zeehonden te zien. Brasseur: “Ik heb er hier drie zwemmend.” Ze maakt foto’s: “Een zeehond, foto 16”. Verdaat noteert de bijzonderheden, die Brasseur roept: “Foto 135 van moeder met jong heb ik gemist.” Verdaat kijkt ook mee en roept dingen als: “Daar ligt een groepje half verstopt.” Droog zegt: “Die zijn aan het pootjebaden.” Want ook de piloot telt voortdurend mee.

11.30 uur. Foto na foto komt langs. Brasseur telt de schimmen op de zandplaat, Cremer kijkt mee en houdt de scores bij. Er zijn minimaal tien tellingen per jaar. In de winter als de grijze zeehonden (Halichoerus grypus) jongen krijgen. In maart, april wanneer ze verharen en in juni en augustus als de populatie gewone zeehonden (Phoca vitulina) op zijn hoogtepunt is. Zwemmende zeehonden worden nooit officieel geteld, omdat je nooit zeker weet met hoeveel ze zijn. Ze worden wel genoteerd.

Verdaat roept: “Moeder met pasgeboren jong.” Hij wijst op een oranje vlek in het zand: een bloedspoor van een bevalling.

11.50 uur. Brasseur telt zeehonden op een overvolle foto: “Saai is het werk van de bioloog.” Cremer: “108 zeehonden. Maar zijn het grijze?” Brasseur: “Dat is de honderddollarvraag.” Het is niet makkelijk om de grijze zeehonden te onderscheiden van de gewone; ze hebben een hogere rug en een hondensnuit, maar dat is op een foto lastig te zien. Bovendien liggen grijze zeehonden dicht op elkaar, wat het tellen bemoeilijkt.

Het vliegtuigje schudt. Brasseur zegt tegen Verdaat: “Er komen nieuwe zenders, maar het is de vraag of die vóór september getest zullen zijn.” Verdaat: “Waarom nieuwe zenders?” Brasseur: “Ze hebben een betere batterij. Er is een heel enthousiaste, nogal technisch ingestelde student mee bezig.”

12.00 uur. Rookpauze. Gevraagd naar het zenderen van zeehonden, reageert Brasseur opvallend terughoudend. Drie dagen later blijkt waarom: de Tweede Kamer debatteert over het zenderen. Brasseur heeft hiervoor al een vergunning gekregen, maar enkele partijen vinden zenderen dieronvriendelijk. “Geen commentaar”, zegt Brasseur later.

13.25 uur. Op een foto vertoont de vacht van de grijze zeehonden vlekken door het verharen; het lijken wel gaten. Brasseur vertelt Cremer: “Van verharende zeehonden zijn infraroodopnamen gemaakt. Daarop zie je dat in de bloedvaten die normaal zijn afgesloten nu veel bloed stroomt.” Cremer: “Om het warmteverlies te compenseren?” Brasseur: “Om de verharing te bevorderen.”

14.15 uur. Brasseur loopt langs bij Camalich en legt uit hoe de uitwerpselen worden schoongemaakt met waszakjes in een normale wasmachine. “Gebruik een kleurwasmiddel, andere wasmiddelen zijn te krachtig”, zegt Brasseur. Ze heeft de wasmethode zelf ontwikkeld voor zeehondenbotten, maar overleven meer fragiele visbotjes wasbeurt ook? Dit zoekt een Britse promovenda nu uit. Ze willen er samen over publiceren.

14.30 uur Brasseur masseert even de schouders van Cremer. Dan begint het tellen weer, foto na foto.

15.30 uur. De gsm van Brasseur gaat over: een medewerkster van de administratie van Wageningen UR. Brasseur moet nog op een formulier haar nevenactiviteiten vermelden. “Ik vergeet altijd iets in te vullen. Ik zei: ‘Kruis jij dat vakje dan aan’. Maar dat wilde ze niet.” Brasseur zucht.

16.50 uur Het tellen van 548 foto’s is klaar. Brasseur steekt buiten een sigaret op: “Ik heb bakken teldata waar mee ik drie jaar in een hok zou kunnen zitten en veel zou kunnen publiceren. Maar die tijd is er niet.” Want ze werkt voornamelijk voor opdrachtgevers zoals het ministerie van EL&I, die de tellingen betaalt, en commerciële partijen die willen weten wat baggerwerkzaamheden of windmolenparken voor effect hebben op zeehonden: “Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek doe ik erbij.”

Dinsdag, 9.15 uur. In de bibliotheek vergadert Brasseur met haar afdeling over enkele wetenschappelijke publicaties. Omwille van Camalich spreekt iedereen Engels. Brasseur vertelt kort over de artikelen waaraan wordt gewerkt: de teldata, de vetzuren, de maaganalyses, een model dat voorspelt hoeveel vissen een zeehond tegenkomt. De avond ervoor heeft Brasseur de zeehondentellingen van Nederland, Denemarken en Duitsland over enkele jaren samengevoegd. De tabellen heeft ze ’s nachts gestuurd aan haar collega’s.

We naderen een vogelbroedgebied. Piloot Droog: “Daar vliegen we niet overheen.” Op een zandplaat liggen vele tientallen zeehonden. Brasseur: “Wat veel jongen!” Verdaat: “Jonge, jonge wat een jongen.”

In 2010 was het aantal pups hoog, leren de tabellen, terwijl het totale aantal zeehonden gelijk bleef. Hoe kan dat? De mogelijke verklaringen buitelen over elkaar heen: inhaalslag nu de populatie zich herstelt van de aanslag door pcb’s in de jaren tachtig; immigratie uit Engeland; versneld herstel na de virusepidemie in 2002. Op elke verklaring volgt een tegenwerping. Brasseur sluit de discussie met: “Laten we alle verklarende factoren opschrijven en een sterk versimpeld model maken. Misschien dat we dan een patroon zien.”

10.00 uur. Rookpauze. Brasseur zegt: “Dit overleg is een soort hobby.” Eigenlijk hebben ze er geen tijd voor: “Ons geluk is wel dat aan de universiteiten geen fundamenteel zeehondenonderzoek wordt gedaan. Dat geeft ons de ruimte om toch zulk onderzoek te doen.” Brasseur gaat promoveren op onder meer de teldata. “Na twintig jaar onderzoek ben ik formeel namelijk nog steeds junior onderzoeker omdat ik geen doctor ben. Bovendien zitten de teldata wel in onze databanken en zijn ze deels gepubliceerd, maar die wil ik nu snel online beschikbaar maken.”

Door de harde wind schudt het vliegtuigje, waardoor de maag van de passagier voelbaar op en neer gaat. De scherpe bochten die de piloot maakt om de vloedlijnen van de zandplaten te volgen, duwen de maag beurtelings van links naar rechts. De vlucht is een urenlange rit in een rollercoaster, maar de tellers zijn ‘kermisvast’: ze drinken koffie en eten snoepjes.

10.30 uur. “En nu eens kijken wat je gisteren hebt gedaan”, zegt Brasseur in het lab tegen Camalich. Ze leegt een buisje op een schaaltje en legt dat onder de microscoop. Voorzichtig beweegt ze een pincet door de stukjes bot. “Hé, een insect. Wat zou dat zijn? Je kan het opzoeken, maar het gaat sneller als je het vraagt aan onze insectenexpert.” Ze krabbelt verder: “Een gebroken gehoorsteentje. De stukjes moet je samenvoegen om te zien of het een linker of een rechter is. Dan kun je later precies tellen hoeveel vissen hij in zijn maag had.” Ze pakt wat tabellen erbij: “Het gewicht en de lengte van de vissen leid je af uit de omvang van de gehoorsteentjes.” Camalich: “Wauw”. Brasseur lacht: “Dit is net vissen. Soms saai, vaak opwindend.”

De vlucht nadert zijn einde. Dankzij de krachtige tegenwind landt het vliegtuigje heel zachtjes op Texel.

13.25 uur. De 1.473 foto’s van de telvlucht van afgelopen zaterdag zijn in de computer gezet. Een lange telsessie gaat beginnen. Brasseur: “Waarom doe ik dit?” En dan grappend: “Ik weet toch alles al?”