Slecht voor de rikketik

Het is zover: de sporter heeft zich weten te plaatsen. Het thuisfront volgt de prestaties vaak op afstand. Hoe is dat? Deze week de ouders van judoka Elisabeth Willeboordse.

Mieke en Adriaan Willeboordse Foto Thomas Bokeloh

Zodra ze de mat opstapt, ziet hij wat het gaat worden. Haar houding, haar schouders, hoe ze loopt. Adriaan Willeboordse ziet of zijn dochter kan winnen. „Niet dat het altijd lukt. Maar ik zie of ze een kans maakt.”

En dit vindt hij zó spannend, dat hij vier jaar geleden besloot geen judowedstrijden meer te kijken. Jarenlang reisde hij met zijn dochter mee. Hij zag hoe Elisabeth nationaal kampioen werd, Europees kampioen en – bijna – wereldkampioen. In 2008 zag hij zijn dochter brons winnen op de Olympische Spelen in Peking. En toen besloot hij: het is genoeg. Adriaan slaat op zijn borst. „Ik kan het niet meer aan”, zegt hij. „Slecht voor mijn coronair. Mijn rikketik.”

Moeder Mieke Willeboordse vertrekt dus zonder haar man naar de Spelen in Londen. Daar zal Elisabeth Willeboordse (33) dinsdag 31 juli uitkomen in de gewichtsklasse tot 63 kilo.

Niet dat Mieke ontspannen naar de wedstrijden kijkt. Ze wipt driftig met haar voeten onder tafel. „Als ik over judo praat, gaan mijn haren al overeind staan.” Ze kan ook niet stilzitten tijdens de wedstrijd, zegt ze. „Ik loop het hele toernooi heen en weer. Ik wil niemand zien, niemand spreken. Ik denk alleen maar: winnen, winnen.”

„Weet je nog, toen met de Spelen in Peking?”, vraagt ze aan haar man. „Met lood in onze schoenen liepen we de trap op naar onze zitplaatsen. Met lóód.” Zulke wedstrijden zijn vreselijk, zegt ze. „Ik vlieg ervoor naar Londen. Maar het is he-le-maal niet leuk.”

Elisabeth Willeboordse is de oudste van vier kinderen. Ze groeide in Middelburg op. Omdat haar ouders altijd fanatiek geturnd hebben, ging ook zij dat doen. Maar toen ze op haar negende – in turnpak – een judoles bezocht, was ze verkocht. En: ze had talent.

Elisabeth ging trainen bij Sportschool Geelhoed in Middelburg en deed waar het maar kon aan wedstrijden mee. Thuis draaide de magnetron overuren. Want niet alleen Elisabeth, ook haar twee zussen behoorden inmiddels tot de selectie veelbelovende judoka’s. Adriaan: „Het was goochelen met brengen, halen, trainen en eten.”

Haar moeder vond het aanvankelijk niks, dat vechten. „Maar nu weet ik: het is juist goed voor haar. Elisabeth is zó aardig, ze wordt er weerbaar van.”

Op haar zeventiende verhuisde Elisabeth naar Brabant. Ze werd luitenant bij de marine, en ging in Goirle trainen bij Jan de Rooij. Vervelend, vond haar moeder. „Ze moest het ineens allemaal in haar eentje rooien.” En ook nu zien ze elkaar weinig, zegt Mieke. Veel te weinig. Adriaan: „Dat is de keerzijde van het leven als topsporter.”

Tijdens de Olympische Spelen hebben Mieke en Adriaan nauwelijks contact met hun dochter. En als ze elkaar toch spreken, is de regel: niet over judo praten. Mieke: „Ik ga ook niet zwaaien als ze straks de mat op komt. Ik wil niet dat ze me ziet. Geen oogcontact. Dat leidt alleen maar af.”

En ook na afloop wordt er niet veel over de wedstrijd gepraat. Wat dat betreft is er veel veranderd, zegt haar vader. Hij reed haar sinds haar negende naar iedere wedstrijd. „Dan kun je nog advies geven, nog coachen. Maar nu is ze ons allang ontgroeid.” Hij beoordeelt Elisabeth niet meer. „Ik vraag háár nu hoe de wedstrijd ging”, zegt hij. „En zo hoort het ook.”

Terwijl Adriaan straks op de kleinkinderen past, vliegt Mieke naar Londen. Hij mijdt de tv die dinsdagmorgen. Zij ijsbeert over de Olympische tribune heen en weer. En ondertussen duimt ze dat er ooit een tijd komt dat ze weer samen met haar man de wedstrijden kan kijken.

Adriaan: „Dat is misschien ons probleem, dat we zo ongelooflijk prestatiegericht zijn.”

Mieke: „Als andere mensen zeiden: wat goed hè, dat Elisabeth derde is geworden, dan zeiden wij: goed, maar niet goed genoeg. Alleen de eerste plek telt.”

Adriaan: „Zo werkt topsport. Er zal geen topsporter zijn die tevreden is met een derde plek. Of in ieder geval niet meteen.”